ANN DEBIE fragment uit 'Kalme chaos' –  Sandro Veronesi

Van nu af aan doe ik niets meer, omdat alles wat ik zou doen het hun gemakkelijker zou maken. Ik verroer me niet, ik wacht, ik zal me vertonen als een ster die al gedoofd is maar toch licht blijft uitzenden, omdat hij zo ontzettend ver staat. Vanaf nu zal mijn manier van werken bestaan uit niet-werken, mijn manier van communiceren uit niet­communiceren. Dat moet jij ook doen, Pietro. Blijf hier. Blijf hier zo lang als je kunt.

 

8

En dat heb ik gedaan. Ik ben hier gebleven. Jean-Claude is tenslotte nog steeds mijn baas; ook al hebben ze hem zijn vliegtuig afgenomen, ook al zal hij er spoedig worden uitgewerkt, hij is nog steeds mijn baas. We kunnen het dus ook zo stellen: tot de dag dat zijn baardige hoofd over de economische pagina's van de kranten zal rollen, doe ik wat Jean-Claude me zegt. Hij heeft gezegd: 'Blijf hier', en dat heb ik gedaan. Ik ben hier bij de school gebleven.

Het is nu al tien dagen dat ik hier vanaf acht uur tot halfvijf verblijf, en het lijkt me niet eens zo iets enorms. Het gaat vanzelf. Ik heb gewoon de indruk dat ik me hier beter voel dan waar dan ook. Claudia is blij, misschien een beetje verbluft, maar blij; ze laat zich niet afleiden van de lessen door uit het raam naar mij te kijken, ze gaat alleen voor het raam staan als het kan, en zwaait naar me. Dan, als de school uitgaat, gaan we naar huis en praten we er niet eens over. Ik heb het één keer tegen haar gezegd, en dat was genoeg. Engeltje, heb ik gezegd, ik heb besloten een poosje bij jouw school te blijven; het is iets wat ik voor mezelf doe, en Jean-Claude gaat ermee akkoord. Zij dacht er even over na, terwijl ze haar hoofd schuin opzij bewoog, en zei toen: 'En als het regent?' Als het regent, antwoordde ik, blijf ik in de auto zitten. Ik heb daar alles wat ik nodig heb om te werken. Zij glimlachte. Punt. Dat is zes dagen geleden gebeurd.

Het regent nu overigens al twee dagen. De zomer was opeens voorbij, de temperatuur is gezakt, het lijkt wel of de charme van deze plek zich heeft opgelost. Maar niet voor mij. Ik heb chemisch geprepareerd papier in het faxapparaat in de auto laten zetten, ik heb dikkere kleren aangetrokken, een mooie nieuwe paraplu gekocht, en ben ondanks de regen bij de school gebleven. Ik heb de veranderingen gadegeslagen die de herfst in deze contreien met zich meebrengt, allemaal verslechteringen, maar ik ben me goed blijven voelen. Ik heb gewerkt, voor zover je kunt werken in een bedrijf dat praktisch verlamd is; ik heb mensen in de auto ontvangen, of in het café aan de overkant, en ik heb de contracten getekend die ik moest tekenen. Nogmaals: het lijkt heel wat als je het zegt, maar niet als je het doet. Het is vooral iets wat zich, behalve tussen mij en mijn dochter, in mijzelf afspeelt; een wens die ik heb en die ik iedere dag vervul. Ik heb me maar zelden in mijn leven zo geconcentreerd op een wens, me zo voldaan gevoeld en - laat ik het maar zeggen - zo opgewonden over het vervullen ervan. Elke morgen het huis verlaten met de nieuwsgierigheid die je altijd zou moeten hebben, maar die je in feite nooit hebt, om te ontdekken welke variaties er zullen zijn op het thema dat je hebt besloten te geven aan je eigen dag; het is een heel aangename gewaarwording die op zich al voldoende is om me hier te doen blijven. Als ik deze gewaarwording vervolgens vergelijk met dat wat ik verwachtte mee te maken, gegeven de situatie, heb ik het gevoel alsof er een wonder is gebeurd. Ik moest lijden: plotseling heeft een grote vinger naar mij gewezen en heeft een stem gebulderd: 'Jij, Pietro Paladini! Lijd!'; maar ik lijd dus niet, en het lukt me om. de hele tijd bij mijn dochter te blijven, wat ik wil, en om afstand te nemen van het dagelijkse kabaal dat mijn collega's afmat; en ik slaag er ook in om mijn geheugen te raadplegen, om lijstjes op te stellen, naar de mensen op straat te kijken, naar huis te gaan, tv te kijken, te eten en te slapen zoals voorheen; als dat geen wonder is, dan scheelt het niet veel. Ik voel me er niet schuldig over. Mijn vrouw is dood en ik lijd niet. Ik weet niet hoe lang het zal duren, maar nu is het zo: ik lijd niet en voel me niet schuldig.

De reacties van de anderen. Niet dat ze zo belangrijk zijn, maar ze zijn wel het meest verrassend in deze onderneming. Ze weten het nu allemaal, ook omdat ik het niet verberg - en dat zou ik ook niet kunnen. Hoe kun je verbergen dat je de hele dag bij een school doorbrengt? Hier is het nu zo langzamerhand bekend bij de onderwijzers, de conciërges, de andere ouders, de barkeepers, de kioskhouders, de verkeersagenten

- die van de ochtend houdt zelfs een parkeerplaats voor me vrij. Hun reactie is een mengeling van respect en medeleven, maar niemand durft commentaar te geven, vanwege het ontbreken van een vertrouwelijke relatie met mij, of er zelfs maar over te praten. Misschien, zei ik tegen mezelf, komt het omdat ik word beschouwd als een hoge piet. Ik heb me gerealiseerd dat het directeurschap van een pay-tv-bedrijf waarop iedereen geabonneerd is, of zich zou willen abonneren, een prestigieuze baan is; en dat, als je na de dood van je vrouw zo iets ongewoons maar onmiskenbaar onschadelijks doet als al je dagen doorbrengen bij de school van je dochter, dat prestige, in de ogen van anderen, telt. Dat is natuurlijk niet terecht, en er is een tijd geweest dat ook ik, zoals zo velen, streed tegen deze gang van zaken, maar het werkt nog steeds zo. Als een relatief rijk en machtig man als ik zoiets doet wordt het geaccepteerd en gerespecteerd; als bijvoorbeeld een arbeider het doet is het verdacht. Het kan zijn dat ik me vergis - dat zou mooi zijn, het zou betekenen dat we niet tevergeefs hebben gestreden - maar volgens mij is het zo. Ik zie het, ik voel het: hoe eenvoudiger de mensen zijn, hoe meer vereerd ze zich voelen dat ik hier ben. De buitenstaanders zijn geen probleem.

 

Een beetje anders, maar uiteindelijk des te verrassender, ligt het verhaal van vrienden en familieleden. Ze hebben een vertrouwelijke relatie met mij en gebruiken die ook; ze voelen zich gerechtigd om te vragen, te protesteren, te proberen het mij uit het hoofd te praten. Maar hun pogingen duren maar een paar minuten. Of ze nu hierheen komen of zich beperken tot een telefoongesprek, ook zij accepteren na korte tijd dat ik hier de hele dag bij deze school blijf. Het is vreemd hoe eenvoudig sommige dingen zijn: ze accepteren het gewoonweg. Ik ben me ervan bewust dat ze er allemaal van uitgaan dat ik misschien gek geworden ben, en hun eerste benadering is vooral een testmail: heb ik mijn verstand misschien verloren? Maar ik heb mijn verstand niet verloren, en mijn antwoorden op hun vragen, en de waarheid die ik hun vertel, tonen dat aan. Door hier te blijven doe ik geen enkel kwaad, ik verwaarloos mezelf en mijn werk niet, ik onttrek me aan geen van mijn verantwoordelijkheden en ik heb zelfs een soort onbeperkte toestemming van mijn baas - wiens harde lot nog niemand kent. Ze moeten het wel accepteren. Achtereenvolgens heb ik de afgelopen dagen dezelfde dingen herhaald tegen een heleboel mensen: mijn secretaresse, mijn broer, mijn schoonzuster Marta, tante Jenny, mijn twee collega's Enoch en Piquet - zelfs mijn vader heeft me gebeld uit Zwitserland om te vragen wat er aan de hand was. Maar ik heb het altijd maar één keer hoeven zeggen, nooit twee keer, dus mijn uitleg moet hen gerustgesteld hebben. Het gaat zelfs verder: ik kreeg de indruk dat ze me allemaal, na gerustgesteld te zijn, enigszins benijdden. Ik kreeg die indruk juist omdat ik ze goed ken, en omdat ik weet dat niemand van hen gelukkig is, ook al ben ik misschien niet helemaal op de hoogte van de laatste wederwaardigheden die hun leven compliceren. Ze gaan uit van de zekerheid dat ik lijd - maar hier ligt het misverstand, want ik lijd niet - en in hun verbeelding zien ze mij als een zwerver, gestrand voor de school van mijn dochter, maar als ze dan onverwachts merken dat ik gemoedsrust en helderheid van geest geniet, moeten ze waarschijnlijk denken aan hun eigen leed, en moet het feit dat ik pas op de plaats maak, op een precieze plek in de wereld, hun vóórkomen als een gelukkige zet die ook hun wat rust zou kunnen schenken als ze maar de moed hadden het te doen; zoiets als: 'Ik blijf hier, gaan jullie maar door zonder mij', iets wat ik niet heb gedaan maar wat zij zouden willen doen - maar ze kunnen het niet. Benijd in die zin, bedoel ik.

Maar misschien overdrijf ik en is het verkeerd om te generaliseren. Mijn broer, bijvoorbeeld, lijkt nog enigszins onthutst. Misschien heeft hij de discussie alleen maar uitgesteld tot hij in Milaan is - hij woont nog in Rome -, zich bewust van het feit - omdat hij het meer dan wie dan ook heeft ervaren - dat het, terwijl het al moeilijk is in een persoonlijk gesprek, onmogelijk is om mij per telefoon van gedachte te doen veranderen.

16/07

ANN DEBIE fragment uit 'Kalme chaos' –  Sandro Veronesi

Mijn vrouw is dood en ik lijd niet. Ik weet niet hoe lang het zal duren, maar nu is het zo: Ik lijd niet en voel me niet schuldig.

 

Ann De Bie is journalste bij de nieuwsdienst van de VRT. Ze maakt vooral reportages over cultuur, politiek en Antwerpen. Bij het grote publiek is ze vooral bekend van

haar deelname aan 'De slimste
mens' in 2009.

CHRISTOPHE VEKEMAN fragment uit 'Een nagelaten bekentenis' – Marcellus Emants

want alleen in mijn nuchtere morgen stemming ben ik me zelf meester en zeker te zullen zwijgen over mijn daad.

Christophe Vekeman (°1972) debuteerde in 1999 met de roman Alle mussen zullen sterven. Talloze romans, essays, gedichten, columns en theaterteksten volgen. Zijn liefde voor country-muziek resulteerde dit jaar in de uitgave van 'Johnny Paycheck. Een boek zoals je er nog nooit één hebt gelezen over een man waarvan je nog nooit hebt gehoord', over de country-outlaw Paycheck.

CHRISTOPHE VEKEMAN fragment uit 'Een nagelaten bekentenis' – Marcellus Emants

Mijn vrouw is dood en al begraven. Ik ben alleen in huis, alleen met de twee meiden. Dus ben ik weer vrij; maar wat baat me nu die vrijheid?

Ten naastenbij kan ik krijgen, wat ik sinds twintig jaar - ik ben vijf en dertig - verlangd heb; maar thans durf ik 't niet nemen en zoo heel veel zou ik er toch niet meer van genieten.

Ik ben te bang voor elke opwinding, te bang voor een glas wijn, te bang voor muziek, te bang voor een vrouw; want alleen in mijn nuchtere morgenstemming ben ik me zelf meester en zeker te zullen zwijgen over mijn daad.

Toch is juist die morgenstemming ondraaglijk.

In geen mensch, geen werk, geen boek zelfs eenig belang te stellen, doel- en willoos om te dwalen door een leeg huis, waarin alleen het onverschillig schuwe gefluister van twee meiden rondwaart als het verre gepraat van bewakers om de cel van een afgezonderde krankzinnige, nog maar aan één ding te kunnen denken met het laatste beetje begeerte van een uitgedoofd zenuwleven en voor dat ééne ding te sidderen als een eekhoorntje voor de fascineerende blik van een slang ... hoe houd ik zoo'n afschuwelijk leven dag in dag uit, ten einde toe, nog vol?

Zoo dikwijls ik in de spiegel kijk - nog altijd mijn gewoonte -verbaast het me, dat zoo'n bleek, tenger, onbeduidend mannetje met doffe blik, krachteloos geopende mond - velen zullen zeggen:dat mispunt - in staat is geweest zijn vrouw .... de vrouw, die hij op zijn manier toch lief heeft gehad ..... te vermoorden. En toch is 't waar ..... even waar, als dat ik met de grootste leukheid het gejammer van mijn schoonouders heb aangehoord, dat ik volmaakt kalm naast de oude man en tegenover mijn zwager, door de volle straten heen, achter Anna's lijk naar het kerkhof ben gereden, dat ik met droge oogen de kist in het graf heb zien neerdalen, de verpletterde vader naar zijn diep bedroefde vrouw terugkeeren en dat ik nu weer t'huis .... in dit huis, waar alles nog van haar spreekt ..... zonder smart, zonder wroeging en ook zonder blijdschap, zonder hoop omdool .... alleen maar bang, bang voor elk geluid, bang vooral voor mijn eigen stem.

Soms - bijv. 's nachts, of wanneer ik me verbeeld, dat iemand achter de deur me beluistert - moet ik hardop uitroepen: ik heb haar vermoord!

Trillend van angst en plotseling doorkild open ik dan dadelijk alle deuren, doorzoek ik alle kasten om zeker te zijn, dat mijn geheim nog altijd niet verraden is.

Vind ik dan zelf mijn daad zóó buitengewoon, zóó ongehoord, zóó vreeselijk? Ach neen; daarvoor heeft zich alles veel te geleidelijk aaneengeschakeld.

 

Sluit ik mijn oogen en leef ik mijn leven nog eenmaal in gedachten door, dan is 't me volkomen duidelijk, hoe ik allengs zoover ben gekomen. Ik heb zoo'n dwingende lust dit eens te vertellen, dat ik 't voor de veiligheid maar op zal schrijven. Het moet er uit! Misschien zal ik 't dan beter kunnen zwijgen en .... mogelijk zijn er menschen, of zullen er menschen komen wie mijn levensproces belang inboezemt. Wie weet hoevelen net als ik zijn, die t' pas beseffen zullen, wanneer zij zich aan mij hebben gespiegeld.

Om te doen begrijpen, hoe verschillend ik me zelf voorkom van de overgroote meerderheid der menschen, is 't niet genoeg, dat mijn bekentenis aanvangt met de dag, waarop ik mijn overleden vrouw leerde kennen. Ik moet opklimmen tot de eerste ervaringen, die mij mijn duister binnenste ontsluierden.

Mijn geheugen is nooit bijzonder goed geweest. Ik zie mijn jeugd dan ook niet meer voor me als een doorloopende reeks van gebeurtenissen; maar herinner me alleen de enkele oogenblikken, waarop ik sterke - doorgaans onaangename - indrukken ontving.

Een van mijn eerste en pijnlijkste ondervindingen was mijn intrede op de lagere school. Wat ik me van die omgeving nog kan voorstellen is een groote, grauwe ruimte, waarin een massa giegelende kinderen bijeen zitten, bewaakt door een norsche onderwijzer. Vóór de klasse staat een reusachtig, zwart bord; tegen de grijze wanden hangen flets getinte, blinde kaarten. Duidelijker herinner ik me het gevoel van iets kleins, iets zwaks, iets nietigs te zijn, verlaten en verloren in een vijandige bende: het konijntje uit een van mijn prentenboeken, dat levend in een hok vol wilde beesten wordt gegooid. Dat al die oogen mij vijandig aankeken, besefte ik dadelijk en ofschoon er meer dan vijf en twintig jaren over heen zijn gegaan, heeft niets die indruk van vijandigheid weer uit kunnen wisschen. Nog altijd moet ik het hok, met wilde dieren bevolkt, binnen gaan, zoodra ik me onder menschen wil bewegen en nooit vermag een redeneering het wantrouwen te onderdrukken, waarmee ik mijn zoogenaamde broeders nader.

 

terug naar boven

 

16/07