Bambi Ceuppens fragment uit 'Reis bij maanlicht' –  Antal Szerb

De volgende ochtend reisden ze door naar Ron,e. De trein reed Florence uit en bevond zich meteen in het Toscaanse landschap, tussen lentegroene heuvels. Hij reed langzaam en stond op elk sta­tionnetje een minuut of tien stil, dan stapten de passagiers uit en pas als de trein op het punt stond te vertrekken, kwan1en ze op hun gemak, gemoedelijk pratend en lachend weer terug.

'Kijk nou,' zei Mihály, 'hoeveel meer je hier ziet als je uit het raam tuurt dan in andere landen. Ik weet niet hoe dat komt, of het de horizon is die verder doorloopt of dat de dingen hier kleiner zijn, maar ik durf te wedden dat je hier vanuit het treinraam vijf keer zoveel dorpjes en stadjes en bosjes en riviertjes en stukken hemel en wolken ziet dan, laten we zeggen, in Oostenrijk.'

'Je hebt gelijk,' zei Erzsi. Ze had nog slaap en Mihálys gedweep met Italië begon op haar zenuwen te werken. 'Toch is Ooste11rijk mooier. Daar hadden we heen moeten gaan.'

'Naar Oostenrijk?' riep Mihály. Dit was zo'n belediging dat hij niets meer kon zeggen.

'Stop je paspoort toch weg,' zei Erzsi. 'Je hebt het weer op het tafeltje laten liggen.'

De trein stopte in Cortona. Toen Mihály naar buiten keek, had hij het gevoel dat hij in het verleden al in veel van dit soort berg­plaatsjes geweest was, zodat hij nu genoot van het weerzien.

'Waarom heb ik toch het gevoel dat ik een deel van mijn jeugd in zulke bergplaatsjes heb doorgebracht?'

Maar Erzsi gaf geen antwoord op zijn vraag. 'Ik heb genoeg van al dat reizen,' zei ze. 'Ik wil eindelijk eens in Capri zijn. Daar kan ik een beetje uitrusten.' 'Capri, schei toch uit! Het zou veel interessanter zijn om hier in Cortona uit te stappen. Of waar dan ook. Zomaar, buiten het reisschema om. Het volgende station is bijvoorbeeld Arezzo ...

Arezzo! Het is toch ongelooflijk dat Arezzo in het echt bestaat, en niet alleen als bedenksel van Dante, toen hij de gymnasten van Arezzo vergeleek met duiveltjes die een trompet maakten van hun acl1terwerk. Kom lief, laten we in Arezzo uitstappen!'

'Ik denk er niet aan! Moet ik uitstappen omdat Dante zulke schunnigheden schreef? Arezzo is vast net zo stoffig als al die andere gaten, met een kathedraal uit de dertiende eeuw en een Palazzo Comunale en op elke straathoek het gezicht van de Duce met de bijbehorende nationalistische opschriften, wat cafés en een hotel met de naam Stella d'Italia. Het interesseert me niet. Ik heb er genoeg van. Ik wil naar Capri.'

'Hm. Interessant. Misschien komt het doordat je al zo vaak in Italië bent geweest dat je niet meer warm loopt voor een schilde­rij van Fra Angelico of een bel paese-kaas. Terwijl ik bij elk station het gevoel heb dat ik een onl1erstelbare vergissing maak als ik niet uitstap. Er in het leven niets frivolers bestaat dan een treinreis. We zouden te voet n1oeten reizen, of tenminste met de postkoets, zoals Goethe dat deed. Ik krijg rillingen als ik eraan denk dat ik in Tos­cane ben geweest, maar niets heb gezien. Dat ik langs Arezzo ben gereisd, en dat Siena bier ergens in de buurt ligt, maar dat ik er niet heen gegaan ben. Wie weet of ik ooit in Siena kom als ik er nu niet ga kijken?'

"Nou en. Je hebt me thuis nooit gezegd dat je zo'n snob bent. Wat gebeurt er als je niet naar die Siënese primitieven gaat kijken?'

'Wie wil hier naar de Siënese primitieven?'

'Wat heb je anders in Siena te zoeken?'

'Weet ik veel. Als ik het wist, zou het me misschien niet eens meer bezighouden. Maar nu, als ik alleen al het woord Siena uit­spreek, heb ik het gevoel dat ik daar iets zal ontdekken waardoor alles ineens goed komt.' 'Je bent gewoon getikt, dat is het probleem.'

'Het zou kunnen. En ik lieb ook honger. Heb je iets bij je?' 'Mihály, het is toch verschrikkelijk hoe je scbranst sinds we in Italië zitten. Je hebt net ontbeten!' De trein kwam aan op een station met de naam Terontola. 'fk stap hier even uit om een kopje koffie te drinken.'

'Doe dat nou niet. Jij bent geen Italiaan! Straks nus je de trein!' 'Welnee, hij blijft toch op elk station een kwartier staan. Dag lief, vaarwel!'

'Nou, ga dan maar, aap. En vergeet niet te schrijven.'

Mihály stapte uit, bestelde koffie en terwijl het overheerlijke, hete vocht drupje voor drupje uit het espressoapparaat werd geperst, knoopte hij een gesprek aan met een ltaliaru1 over de bezienswaardigheden van Perugia. Daarna dronk hij de koffie op.

'Kom snel,' riep de Italiaan. 'De trein gaat vertrekken.' Inderdaad, toen ze op het perron kwamen, reden de voorste wagons het station al uit. Mihály kon zich nog met moeite in de Jaatste wagon hijsen. Het was een ouderwetse derde klaswagon zonder gangpad, waarin elke coupé een afgesloten geheel was.

Het geeft niet, dacht hij, bij het volgende station stap ik uit en loop ik naar voren.

'Is dit uw eerste bezoek aan Perugia?' vroeg de sympathieke man.

'Perugia? Ik ga helemaal niet naar Perugia ... helaas niet.'

'Dan reist u zeker door naar Ancona. Maar dan rust u wel wat. Stapt u toch uit in Perugia, het is zo'n mooie, oude stad.'

'Maar ik ga naar Rome,' antwoordde Mihály.

'Naar Rome? U maakt een grapje, meneer.'

'Wat doe ik?' vroeg Mihály omdat hlj dacht dat hij het Italiaans niet goed had verstaan. 'U maakt een grap,' zei de Italiaa11 luidkeels. 'Deze trein gaat uiet naar Rome. J-Iaha, le piace scherzare, wat bent u geestig!'

'Waarom zou deze trein niet naar Rome gaan? Ik ben er in Florence opgestapt, sa1nen met mijn vrouw, en er stond op dat hij naar Rome ging.'

'Maar dat is deze trein niet,' zei de Italiaan verrukt, alsof hij de beste mop van de wereld had gehoord. 'Dit is de trein Perugia­Ancona. In Terontola wordt de trein gesplitst. Geweldig! En de sig­nora zit rustig in de trein naar Rome!'

'Fantastisch,' zei Mihály en keek beduusd uit het raam naar het Lago Trasimeno, alsof de oplossing hem daarvandaan tegemoet zou varen.

Toen hij de nacht daarvoor zijn paspoort en de cheque bij zich had gestoken, dacht hij - niet echt serieus natuurlijk - dat het zou kunnen gebeuren dat ze elkaar onderweg kwijt zouden raken. Toen hij in Terontola uitstapte, schoot hem even de gedachte door het hoofd om Erzsi alleen te laten doorreizen met de trein. Maar nu het echt gebeurd was, was Mihály verrast en in verwarring. Hoe dan ook - het was gebeurd!

'Wat gaat u nu doen?' wilde de Italiaan weten.

'Ik stap bij het eerstvolgende station uit.'

'Maar dit is een sneltrein. Het eerstvolgende station is Perugia.' 'Dan stap ik in Perugia uit.'

'Ik zei toch dat u naar Perugia ging? Het geeft niet, Perugia is een heel oude stad en echt de moeite waard. En gaat u dan ook de omgeving maar bezichtigen!'

Goed, dacht Mihály. Ik reis dus naar Perugia. Maar wat gaat Erzsi doen?Waarschijnlijk reist zij door naar Rome en blijft ze daar op de volgende trein wachten. Maar ze kan ook meteen bij het volgende station uitstappen. Of ze gaat terug naar Terontola. Hoe dan ook, ze zal me niet vinden. Ze zal niet op het idee kon1en dat ik met de trein naar Perugia ben doorgereisd.

Ja, daar zou ze niet zo gauw opkomen. Stapte hij nu in Peru­gia uit, dan werd hij zeker twee, drie dagen niet gevonden. Of nog langer, als hij niet in Perugia bleef, 1naar ee11 onwaarschijnlijke route koos om door te reizen.

'Wat een geluk dat ik mijn pas bij me heb. Bagage? 1k schaf wat hen1den en dergelijke aan, ondergoed is in Italië goed en goed­koop en ik was toch al van plan b.et bier te kopen. En het geld ... hoe zit het ook alweer met het geld?'

Hij pakte zijn betirs en vond de cheque van de Nationale Bank.

Dat is waar ook, gisteravond ... Die zal ik in Perugia inwisse­len, daar is vast wel een bank die hem accepteert. Ja.

Hij trok zich terug in een hoek en viel in een diepe slaap. Toen de trein in Perugia aankwam, werd hij door de sympathieke Itali­aan gewekt. ­

T

17/07

BAMBI CEUPPENS fragment uit 'Reis bij maanlicht' - Antal Szerb

Moet ik uitstappen omdat Dante zulke schunnigheden schreef?

Bambi Ceuppens (°1963) is  ' doctor in de anstropologie en verbonden aan het Koninklijk Museum voor

Midden-Afrika in Tervuren. Haar onderzoek focust zich op de Belgische en Congolese koloniale geschiedenis. Vorig jaar maakte ze samen met kunstenaar Sammy Baloji de tentoonstelling 'Congo Art Works' in Bozar.

KOEN PEETERS fragment uit Heart of Darkness en Sebald uit 'Vertrouwde en vreemde dingen' Teju Cole

Ook hij was aangezien voor een onbeschaafde en, in zijn eigen wrede terminologie, half ontwikkelde

persoon. Hij was een paradox als geen andere.

Koen Peeters (°1959) debuteerde in 1988 met

'Conversaties met K.', een opvallende roman over België en zijn iconen. In zijn recenter werk ontdekken we de antropoloog in Peeters. In 'Duizend heuvels' (2012) schetst hij in vijf verhalen een caleidoscopisch beeld van Rwanda en in het pas verschenen 'De mensengenezer' staat Congo centraal.

 

KOEN PEETERS fragment uit Heart of Darkness uit 'Vertrouwde en vreemde dingen' – Teju Cole

De boot waarvan ik tijdelijk de kapitein ben, heet Roi des Belges. In 1890 loodste Joseph Conrad op een gelijknamige boot een stoomschip door de rivier de Congo. Die tocht inspireerde hem tot het schrijven van Heart of Darkness (Hart der duisternis), een raadselachtig verhaal binnen een verhaal dat zich op sombere, verstikkende, wrede wijze voor ons ontrolt. Hij schreef het in het laatste jaar van de negentiende eeuw en publiceerde het aan het begin van de twintigste. Dus de plek boven de Theems waar ik nu ben neergestreken - de lucht is inmiddels blauw en het uitzicht half rondom is gevuld met een sliertige, laaghangende bewolking - deze plek waar de stad aan me is blootgesteld, maar ik niet aan de stad, is een hommage aan Conrads bittere visioen. Wat zijn de gevolgen als de inboorling de loodsman is van het schip? Wat gebeurt er als de talloze homogene figuren aan de oever blank blijken te zijn?

Hart der duisternis werd geschreven toen de hebzuchtige winning van Afrikaanse grondstoffen door Europese avonturiers een waar geloofsartikel was, zoals nog steeds. Het boek hielp de vragen te creëren die ons tot de dag van vandaag bezighouden. Wat betekent het om over anderen te schrijven? Wie zijn die anderen? Belangrijker nog, wie zijn die welsprekende 'wij'? In Hart der duisternis voeren de inboorlingen - de nikkers, zoals ze in het boek worden genoemd, het woord dat je telkens opnieuw als een speer treft - slechts tweemaal het woord, de eerste keer om van een voorliefde te getuigen voor kannibalisme, en de tweede keer om een niet heel welsprekende mededeling over te brengen: 'Mistah Kurtz, hij dood.' Voor het overige zijn deze nikkers, deze wilden, weinig meer dan gewelddadige schimmen, die of worden gedwongen zwijgend hun diensten te verlenen op de boot, of een dodelijke aanval daarop uitvoeren vanaf de kust, zwijgzaam, gegriefd, ondoorgrondelijk. Niet alleen is dit primitieve, vrijwel onmenselijke Afrika een ongerijmdheid voor iedere Afrikaan, het is ook een ongerijmdheid voor iedere weldenkende niet-Afrikaan. Honderd jaar geleden gold dit beeld van Afrika als een algemeen aanvaarde waarheid; het sloot aan op de Europese publieke opinie. Maar nu zijn we daar allemaal aan ontgroeid. Zulke denkbeelden hebben we toch zeker achter ons gelaten? 'De eerste vier dagen regende het.' Vidia's gezicht rimpelde van plezier. 'Vind je dat mooi?' 'Zeer zeker, heel mooi. Het is simpel. Het is veelbelovend.' Wat ik zojuist geciteerd had, was de eerste zin uit The Enigma of Arrival (Het raadsel van de aankomst), zijn complexe roman over het leven op het Engelse platteland. Ik apprecieer Naipaul om zijn reisverhalen, hoe hij de zogenaamde duistere oorden van deze wereld opzoekt, het geduld waarmee hij ingewikkelde, waargebeurde verhalen weet te ontlokken aan zijn gesprekspartners in Iran, Indonesië, India en elders. Ik hou van India: A Million Mutinies Now (Terug naar India), Among the Believers ( Onder de gelovigen) en het lange essay 'De krokodillen van Yamoussoukro', want hoe onbehaaglijk sommige passages ook aanvoelen, ze hebben de kracht van een openbaring. Ze getuigen van moed, niet omdat ze onpopulaire en soms obstinate standpunten innemen, maar om de tegenovergestelde reden, omdat ze nauwelijks een standpunt innemen en eerder een kunstige samenvatting vormen van tientallen gesprekken. Het zijn boeken waarin de inboorlingen voor zichzelf spreken, wie ze verder ook zijn, en soms onbewust getuigen van hun tegenstrijdige opvattingen en levenswijze, maar ook van hun diepe menselijkheid. Maar toch, het boek dat de meeste invloed heeft gehad op mijn eigen werk, op mijn innerlijk oor, was het genadeloze, heftige The Enigma of Arrival (Het raadsel van de aankomst), getuigend van een bevattingsvermogen dat gekoppeld was aan de wereld van de mens en van de natuur. Ik ben nog steeds gek op zijn taal, op die innerlijke muziek.

 

De eerste vier dagen regende het. Ik kon nauwelijks zien waar ik was. Toen hield het op met regenen en zag ik - voorbij het grasveld en de bijgebouwen voor mijn huisje - velden met geknotte bomen langs de randen van elk veld en ver weg, afhankelijk van het licht, de glinsteringen van een riviertje, glinsteringen die soms, vreemd genoeg, boven het niveau van het land leken te hangen.

 

KOEN PEETERS fragment uit Sebald uit 'Vertrouwde en vreemde dingen' – Teju Cole

Poëzie van de veronachtzaamden

Gedurende zijn hele loopbaan schreef W.G. Sebald gedichten die een sprekende gelijkenis vertonen met zijn proza. Zijn toon, in beide genres, is altijd ingehouden, maar vervuld van een som­bere grandeur. Daarbij was hij er welbewust op uit de literaire scheidslijnen te doen vervagen en in feite zijn vrijwel al zijn tek­sten, niet alleen zijn poëzie en proza, een combinatie van geschie­denis, memoires, biografie, autobiografie, kunstkritiek, esoteri­sche kennis en verbeelding. Deze bedreven mengeling van vormen heeft veel te danken aan het feit dat hij de zeventiende­eeuwse melancholici Robert Burton en Thomas Browne heeft gelezen, en Sebalds meanderende zinnen zijn een weloverwogen eerbetoon aan Duitse auteurs uit de negentiende eeuw als Adal­bert Stifter en Gottfried Keiler. Maar die stijl wordt tegenwoor­dig zozeer in verband gebracht met het werk van Sebald zelf dat ook boeken die aan de zijne voorafgingen, zoals die van Robert Walser en Thomas Bernhard, vanuit ons perspectief als lezers van Engelse vertalingen zonder meer een 'Sebaldiaanse' indruk kunnen maken.

De reputatie van Sebald is gegrondvest op vier romans - Duizelingen, De emigrés, De ringen van Saturnus en Austerlitz - die zich stuk voor stuk bezinnen op de geschiedenis van het ge­weld in het algemeen en de erfenis van de holocaust in het bij­zonder. Ons besef van de prestatie die hij daarmee heeft geleverd wordt alleen nog maar versterkt door zijn overige werk: de boe­ken die hij gedurende zijn leven heeft gepubliceerd (de lezingen die zijn verzameld in De natuurlijke historie van de verwoesting en het lange gedicht Naar de natuur en de werken die postuum zijn verschenen (waaronder de essaybundel Campo Santo en de bundels met korte gedichten Unerzählt en Por Years Now). Net als Roberto Bolafto werpt Sebald een schaduw voor zich uit die de illusie wekt van een buitengewone productiviteit, en de recen­te publicatie van Over het land en het water, gepresenteerd als Een keuze uit de gedichten I9ó4-200I, lijkt dan ook niet als een verras­sing te komen. We zijn tien jaar verder, maar nog steeds niet he­lemaal gewend aan het idee dat hij zijn pen heeft neergelegd.

Over het land en het water wijkt in één belangrijk opzicht af van elk ander boek van Sebald: het gaat hier om zijn vroege werk. Omdat het literaire succes hem pas laat ten deel viel (hij was al in de vijftig toen zijn eerste boek in het Engels werd ver­taald) zijn we bekend met Sebald in zijn volgroeide vorm. Een van de genoegens van dit boek is dat het ons laat zien hoe zijn dichtersstem zich gedurende een periode van meer dan dertig jaar heeft ontwikkeld, te beginnen in de jaren zestig, zijn stu­dententijd. Een passage uit een van die eerste gedichten luidt:

 

Met het glas in de hand

Lopen ze heen en weer

Staan ze stil en verwachten

De metamorfose van de meidoorn

Buiten in de tuin

Niets dan zichzelf

Meet de tijd

 

Uit een ander gedicht, over Manchester, komen de regels: 'Bles­ton kent een uur/ Tussen zomer en winter/ Dat nooit verstrijkt en/ Dat bepaalt mijn tijd/ Zonder begin en einde.' Elders is sprake van rozen, tuinpaden, victoriaanse patronen. Daarmee lijkt hij zich verbazingwekkend genoeg te laten leiden door T.S. Eliot (een invloed die in Sebalds latere werk niet heel gemakkelijk terug te vinden is), en dan vooral de profetische kant van Eliot in de Four Quartets, met zijn omtrekkende bewegingen.

Deze vroege gedichten van Sebald gaan ook over de aangele­genheden die men later als karakteristiek voor hem is gaan be­schouwen. Treinen spelen een opvallende rol, net als landsgren­zen, reizen, landschappen, herinneringen en eenzaamheid. Wat betreft zijn journalistieke benadering van dingen die zijn ver­dwenen is hij schatplichtig aan Hans Magnus Enzensberger, iets wat voor al het werk van Sebald zou gelden. Maar wat het meest opvalt aan deze gedichten is dat ze wemelen van de verwijzin­gen, van de citaten in de meest uiteenlopende talen en zinspe­lingen op de klassieken (vooral Horatius en Vergilius zijn favo­riet); anders dan in zijn latere werk kan die opeenstapeling een hectische indruk maken. Toch is het een genot om ze te lezen, wat te danken is aan het uitstekende notenapparaat van vertaler Ian Galbraith, die de overrompelde lezer de weg wijst door het cryptisch getoonzette werk. Zonder die noten van Galbraith zijn sommige gedichten zo hermetisch dat ze vrijwel niet zijn te doorgronden:

 

kathedraal van Straatsburg

bien éclairée. - Tussen bielzen

regels uit Gregorius de guote sündaere,

uit Au bij Freiburg, op de rechteroever van de Rijn, niet te zien vanuit Colmar-Haut Rhin.

Basel vroeg in de morgen, gedrukt op

witheuvelig in de Rijn gewassen geschept papier

onder toezicht van Erasmus van Rotterdam

 

De latere gedichten zijn zuiverder, helderder. Vele daarvan hiel­pen hem het fundament te leggen voor het lange gedicht Naar de natuur, het eerste boek dat Sebald publiceerde, in de vorm van schetsmatige ideeën die hij later zou uitwerken of passages die hij in hun geheel overnam. Toen zijn carrière als prozaschrijver eenmaal op gang kwam, raakten andere gedichten van hem in de vergetelheid; hier verzameld vormen ze een machtig cor­pus. Sommige latere gedichten zijn kort maar krachtig, een ver­dichting die wordt benadrukt door de manier waarop titels vaak ook als eerste regel fungeren:

 

Ergens

Achter Türkenfeld

Een sparrenkwekerij

Een plas op de

Heide waarin

Het maartse ijs

Langzaam smelt

 

Het is een mooi idyllisch versje. We zien een klein Duits stadje, misschien, mogelijk vanuit een rijdende trein. Maar de beteke­nis van het gedicht wordt onherstelbaar verduisterd als we in de noten lezen waar 'Achter Türkenfeld' naar verwijst: de locatie van een van de vierennegentig kampen die in verbinding ston­den met Dachau, een tussenstation op de spoorlijn die Dachau verbond met de munitiesteden Kaufering en Landsberg. Sebald laat dat in zijn gedicht allemaal onvermeld, vertelt ook niet dat deze spoorlijn bekendstond als de Blutbahn en dat vele duizen­den mensen langs deze route naar hun dood werden geleid. Als altijd trekt hij ons via een omweg de schaduw van de geschiede­nis binnen.

Maar Over het land en het water is zeker geen bundel over de holocaust. De themàs bestrijken een breed terrein en een aantal van de gedenkwaardigste gedichten is gebaseerd op kleine ge­beurtenissen uit het leven van historische figuren. Sommige be­ginnen (net als al zijn vier romans) met een nauwkeurige date­ring. De aanhef van het gedicht over de laatste dagen van Tsjechov luidt 'Op 9 juni 1904', waarna wordt beschreven hoe een groepje rouwenden als een 'zwartfluwelen rups' de kist van Tsjechov opwacht op een spoorwegstation, om daar te worden overvleugeld door het muziekkorps dat zich heeft verzameld om de kist op te wachten van een inmiddels vergeten generaal.

 

terug naar boven

17/07