JORIS HESSELS fragment Bevroren wateuit 'De knetterende schedels' Roger van de Velde

Séraphin, die doofstom was en over wiens misdrijf ook door de ande­ren in alle talen werd gezwegen, schoof over het tafelblad een papier­tje in mijn richting. Er stond op geschreven: 'Is het waar dat het men­selijk lichaam voor het grootste gedeelte bestaat uit water?'

Het gebeurde herhaaldelijk dat Séraphin mij dergelijke briefjes toeschoof. Het was zijn enig middel van communicatie en soms vond hij in die correspondentie een intense vreugde. Daarbij beperkte hij zich niet tot het vragen van inlichtingen of confirmaties. Vaak waren het gewone, voor de hand liggende vaststellingen en bij gelegenheid was het ook weleens de formulering van een persoonlijke mening. Zoals bijvoorbeeld: 'Tibet is het dak van de wereld.' Of: 'Het is een leu­gen dat Jozua de zon deed stilstaan.'

Het was mij meer dan eens opgevallen, dat zijn vragen of mede­delingen, die meestal betrekking hadden op iets dat hij in kranten of oude tijdschriften had gelezen, over het algemeen een beredeneerde, logische inslag hadden. Zelden gebeurde het dat hij een volslagen zin­loze vraag stelde, waaraan geen touw viel vast te knopen. En altijd, ook wanneer het gewone mededelingen betrof, eiste hij een prompt ant­woord in de vorm van een schriftelijke bevestiging, ontkenning of ver­klaring. Het was tussen zijn gesloten en mijn vereenzaamde wereld een onuitgesproken verbond, dat mij af en toe wel boeide; al maakte hij het mij soms bijzonder lastig. Zoals die keer toen hij vroeg: 'Wat is het verschil tussen de muziek van Bach en Beethoven?' Men kan een blinde met de vingers leren lezen, maar hoe, met welke tastende hulpmiddelen, moet men het subtiele wonder van een fuga laten openbloeien voor een doofstomme?

Deze keer was het probleem minder ingewikkeld, al wist ik niet waar hij naartoe wilde. Ik schreef op de achterkant van het papiertje: 'Het is inderdaad waar, dat het menselijk lichaam voor het grootste gedeelte uit water bestaat. Ik weet het juiste percentage niet uit het hoofd, maar als je wilt kan ik het opzoeken. Het is trouwens weten­schappelijk bewezen dat alle leven oorspronkelijk uit de zee komt.'

Zijn reactie was spontaan. Hij scheurde driftig een blad uit de vergeelde jaargang van de Soir Illustré, waarin hij had zitten lezen, krabbelde er haastig iets op, en gaf de boodschap door.

Het was een ietwat gedemodeerde maar toch nog aantrekkelijke, gekleurde foto van Dorothy Lamour in een suggestieve, gebloemde sarong. Onderaan had hij kernachtig en in vette letters geschreven: 'En dit?' Glimlachend plaatste ik mijn commentaar op hetzelfde blad: 'Ook dit. En het lijkt mij heerlijk water. Ik zou er godverdomme in wil­len zwemmen. Jij niet?'

Ik schreef er opzettelijk 'godverdomme' bij. omdat ik uit erva­ring wist, dat hij verslingerd was op aanschouwelijke krachttermen. Voor iemand die spreken noch horen kan, moet de plastische uit­drukking van een vloek ook wel een soort uitlaatklep betekenen.

In tegenstelling met wat ik verwacht had, bleek hij niet opgeto­gen met het verhelderende antwoord. Hij zat een tijdlang somber naar de foto te kijken, verfrommelde het blad langzaam tot een prop in zijn vuist, en bladerde lusteloos verder in het tijdschrift. Voorlopig kwam er geen missive meer.

Ik vroeg mij af wat Séraphin dwarszat in de chemische samen­stelling van het menselijk lichaam. Toegegeven dat het vanuit esthe­tisch oogpunt een nogal bevreemdend feit is dat een aanlokkelijke figuur als Dorothy Lamour in haar beste jaren voor het overgrote deel bestaat uit een zo banale substantie als water. Maar was dit besef een reden om zich kwaad te maken?

Ongetwijfeld moest er een andere, geassocieerde reden zijn voor zijn onvoldaanheid. Maar omdat Séraphin voor de rest van die avond geen schriftelijke of andere toenadering meer zocht, schonk ik er verder geen aandacht aan. Het gebeurde wel vaker dat hij zich plot­seling, zonder voor de hand liggende oorzaak, hermetisch opsloot in de ontoegankelijke bunker van zijn doofstomheid. Hij had eens dagenlang wrevelig gekopt omdat ik op één van zijn vragen naar waar­heid had geantwoord dat er bij mijn weten geen enkel betrouwbaar bewijs of voorbeeld bestaat van reïncarnatie na de dood.

Twee dagen na de onverklaarbare recusatie van Dorothy Lamour, toen ik onhandig aan mijn defect draagbaar radiootje zat te frunniken, schoof Séraphin zonder aanleiding opnieuw een papiertje naar mij toe. Niet zonder enige onbehaaglijkheid las ik: 'Geloof jij dat God be­staat?'

Hij had mij dat zwaarwichtige probleem, waarop de mensheid zich al een zestal eeuwen blindstaart, vroeger reeds enkele malen voorgelegd, maar ik had steeds angstvallig vermeden kleur te beken­nen, omdat ik het in zijn huiveringwekkende complexiteit een veel te gevaarlijk onderwerp achtte.

Deze maal schreef ik nogal roekeloos en simplistisch: 'Ik geloof

wat ik weet en zie en begrijp. Van God weet en zie en begrijp ik niets.'

Hij zat weer een tijdlang somber te staren op het nietszeggende antwoord. Dan kwam er een nieuwe vraag: 'In de veronderstelling dat God bestaat, waarom heeft hij dan het water in mijn mond en in mijn oren bevroren?'

Ik keek peinzend naar de gele en rode draden in het binnenwerk van mijn radiootje. Om geen antwoord te moeten geven stond ik lang­zaam op met een koud gevoel in mijn rug. In het voorbijgaan legde ik even mijn hand op zijn schouder.

 

JORIS HESSELS fragment Monsieur Delcourt en de wormen uit 'De knetterende schedels' Roger van de Velde

Het was tijdens het middagmaal, bij het eten van aardappelpuree, rodekool en een Frankfurterworstje, dat Bernard Delcourt voor de eerste maal de wormen zag.

Ik zat schuin tegenover hem en omdat het eten me niet smaak­te, keek ik lusteloos om me heen. Het gezicht op die vretende tronies en het smakkende, slurpende geluid dat ze daarbij produceerden was weinig hartverkwikkend.

Bernard Delcourt was een bloedarme vijftiger met een lachwek­kende en volkomen nutteloze krans van rossige haartjes rondom zijn kale schedel en een ijzeren lorgnet boven een neus als een blikopener. Achter het lorgnet, dat nog in de vorige eeuw moest zijn gefabriceerd en waaraan hij niet alleen wegens zijn myopie zeer gehecht was, flikkerden twee rusteloze oogjes, als kogeltjes in een ziek gelaat. Hij was het gedroomde type van een notarisklerkje in een amateurtoneel­gezelschap.

Bernard Delcourt was niet wat men een vriendelijk man noemt. Hij was te schuw om met wie dan ook toenadering te zoeken en juist daarom liet hij iedereen met rust. Dat was zijn enige verdienste. Overigens was hij bijzonder welgemanierd in zijn schaarse woorden en gebaren, en die hoffelijkheid verleende hem een zekere considera­tie. De bewakers noemden hem monsieur Delcourt, zonder een zweem van ironie, en van al de patiënten was hij de enige die zijn per­soonlijke kalfslederen schoenen mocht dragen, wat een uitzonder­lijke gunst was.

Ook was Bernard Delcourt een der weinigen die van de dokter toestemming hadden om boeken naar eigen keuze te lenen uit de bibliotheek. Wel mocht het eigenaardig heten dat hij met zijn pre­cieuze maniertjes een uitgesproken voorkeur aan de dag legde voor de Franse realisten en naturalisten. Bij herhaling las hij de werken van Sue, Flaubert, De Maupassant, Zola en Huysmans, en hij maakte daarbij ijverig aantekeningen in een dik schoolschrift, dat hij na gebruik zorgvuldig achter slot bewaarde. Madame Bovary moet hij zó dikwijls gelezen hebben, dat hij het boek waarschijnlijk voor een groot deel uit het hoofd kende. Maar wát kon Madame Bovary met de wor­men te maken hebben?

Dat het incident aan tafel gebeurde bij het eten van aardappel­puree, rodekool en een Frankfurterworstje is een detail dat ik mij goed herinner, omdat monsieur Delcourt een klad kleverig voedsel vol afschuw terug in zijn bord spuwde. Ik dacht aanvankelijk dat het bloed was, maar het bleek de rodekool die, vermengd met speeksel, als een rozige brij over het worstje dreef.

Ik kokhalsde met een kramp in mijn zure maag, terwijl de ove­rige tafelgenoten een ogenblik verwonderd opkeken en dan met smaak verder aten. Dat uitgerekend de doorgaans zo welvoeglijke monsieur Delcourt zo uit zijn rol viel, verbaasde en ergerde mij in hoge mate.

De bewaker kwam langzaam maar met kordate tred in de rich­ting van de tafel en fronste de wenkbrauwen in twee spitsbogen om zijn afkeuring te kennen te geven.

'Scheelt er wat, monsieur Delcourt?' vroeg hij rustig en een beetje uit de hoogte, zoals onverstoorbare schoolmeesters plegen te doen tegenover baldadige leerlingen.

Delcourt gaf geen antwoord. Hij zat verstijfd voor zijn bord en keek als gehypnotiseerd naar het slijmerige braaksel.

'Voelt u zich niet lekker?' vroeg de bewaker met een lichte stem­verheffing maar zonder boze ondertoon.

De kogeloogjes van Delcourt bleven als gemagnetiseerd naar het bord staren. Met een spitse vinger wees hij naar de roze smurrie en er kwam geen woord over zijn bloedeloze lippen. Naast hem zat Lamartine als een gekieteld kostschoolmeisje te giechelen. Hij vond het hoogst vermakelijk.

 

 

De bewaker knipte met duim en middelvinger en de keuken­knecht kwam, kennelijk met tegenzin, in zijn witte schort aangeslenterd om de smeerboel op te ruimen. Hij droeg het bord zover mogelijk van zich af, alsof het vol excrementen lag, en wendde zijn hoofd krampachtig naar links, met de neus ostentatief in de lucht. Het schouwspel was zó aanstekelijk dat de zaal er rumoerig van werd. De bewaker klapte hard en vlug in de handen om te beduiden dat de maal­tijd afgelopen was en het werd een gedrom naar de uitgang om te com­mentariëren welke vreselijke straf Bernard Delcourt vast en zeker te wachten stond.

Alleen Delcourt bleef roerloos en met een starre blik achter de blinkende glazen van zijn lorgnet op zijn plaats zitten.

Met gekruiste armen installeerde de bewaker zich breeduit vóór hem en herhaalde geduldig zijn eerste vraag: 'Wat scheelt er, mon­sieur Delcourt?'

Zonder uit zijn starre houding los te komen, fluisterde Delcourt met grondeloze verachting: 'De smerige beesten.'

'Welke beesten?' vroeg de bewaker zuchtend. Hij had al met zoveel beesten in de meest vreemdsoortige variëteiten te maken ge­had, dat het zoölogisch fenomeen hem hartgrondig begon te vervelen.

'Wormen,' antwoordde Delcourt. Er trilde een koude huiver in zijn stem. 'Smerige, vettige wormen.'

Natuurlijk, wormen, dacht de bewaker. Het begint bijna altijd met wormen en men weet nooit met welke vervaarlijke monsters het zal eindigen. Hij begon al heel wat psychiatrische ervaring te krijgen.

'Welke wormen?' vroeg hij met onuitputtelijk geduld. 'Rode, witte, gele, zwarte?'

'Oranje,' zei Delcourt. 'Dikke en lange oranje wormen.'

Die kleur hebben wij nog niet in onze verzameling, dacht de bewaker. Oranje lijkt mij geen agressieve kleur. Onder voorbehoud van nadere kennismaking lijken oranje wormen mij nog altijd ver­kieslijk boven zwarte specimen, want met dat donkere gebroed krij­gen wij gewaarborgd gedonder in de glazen.

Hij klopte Delcourt bemoedigend op de schouder. 'Daar hebben wij wel een remedie voor,' zei hij. 'Ik zal u een drankje geven om die rotwormen grondig te verdelgen en over een uurtje voelt u zich al veel beter.'

Die avond schreef de bewaker zelfvoldaan in het patiëntenboek: 'Monsieur Delcourt prétend voir des vers de couleur orange. Je lui ai administré dix gouttes de Rt-793, conformément aux instructions du médecin-psychiatre, Dr. Poulard. Une demi-heure avant le coucher le malade me paraît décontracté.'

Delcourt had een rustige nacht. De volgende morgen kreeg hij opnieuw zijn tien druppels Rt-793 in een glas water dat hij zonder bezwaar en bijna gulzig uitdronk. Hij weigerde echter obstinaat de eetzaal te betreden. Met zachte aandrang trachtte de bewaker hem tot betere gedachten te brengen maar gaf het op na drie vergeefse pogin­gen. We krijgen weer eens een voedselstaking, dacht hij mismoedig. Maar op hetzelfde ogenblik moest hij al zijn aandacht concentreren op de graafVan Orléans, die de kreupele Semmelinck met een houten lepel stond af te troeven. Ondanks zijn chlorpromazine werd de graaf Van Orléans met de dag lastiger.

Ook dokter Poulard scheen belang te hechten aan de oranje kleur van de wormen, want na inzage van het rapport zei hij: 'Remar­quable.' Tot groot genoegen van de bewaker.

Dokter Poulard was een psychiater van de oude stempel, die spitsvondig naar de diepste oorzaak der dingen zocht. In onderhavig geval lag het voor de hand dat hij zijn diagnose moest richten op een mogelijke osmose van dierlijke hallucinaties met allergische kleuras­sociaties resulterend in een shock. Intuïtief wist de bewaker dat ook wel, maar het was hem minder duidelijk wat hij daarmee moest beginnen. Om de waarheid te zeggen, was het ook dokter Poulard niet zo duidelijk.

'Laat eens kijken,' zei hij. 'Werd de patiënt de laatste tijd gebrus­keerd door een of ander voorwerp van die bepaalde kleur? Iedereen weet natuurlijk dat oranje een derivaat is van de primaire kleuren rood en geel. De shock van Delcourt kan dus gegroeid zijn uit een mengsel van woede en haat. Welk hatelijk object kan de woede van monsieur Delcourt ontketend hebben?'

De bewaker bleef het antwoord schuldig, want hij wist het niet. En eigenlijk begreep hij ook niet welke rol de wormen in die kleuren­combinatie speelden. Als haat en woede werkelijk wormstekig zijn in het onderbewustzijn van de mens, dan moet de wereld onvermijdelijk door de wormen vergaan. Omdat hij zich die overweging niet kon ver­oorloven tegenover dokter Poulard haalde de bewaker de schouders op.

'Voorzover ik weet, zijn er in de omgeving geen objecten van een opvallend oranje kleur,' zei hij aarzelend. Voor alle zekerheid keek hij naar de lampenkappen van de kroonluchter, maar die waren uitge­sproken rood. De zaal had 's avonds altijd iets van een bordeel.

'Levende wezens zijn ook objecten,' preciseerde de psychiater. 'Is er wellicht iemand onder de patiënten of het personeel met een gebasaneerde huidskleur die naar oranje zweemt? Sommige Mon­goolse rassen bijvoorbeeld hebben een geprononceerd oranje pig­ment. Ik zeg zomaar iets.'

Stoffels, dacht de bewaker. Stoffels die er met zijn leverziekte uitzag als een aan lagerwal geraakte Chinese mandarijn. Hij liet het denkbeeld echter onmiddellijk varen, want Stoffels lag al twee maan­den in de ziekenzaal en had ook voordien weinig contact gehad met Delcourt.

'Het kan natuurlijk ook louter psychisch zijn,' zei de psychiater. Hij had tijd noch lust om elk object in de omgeving op zijn oranjetint te gaan onderzoeken. 'Wat leest monsieur Delcourt zoal de laatste tijd?'

De bewaker ging de leeskaart halen in de bibliotheek en zij ston­den daar allemaal in het gelid, een beetje gedemodeerd maar toch nog presentabel met hun gloedvolle geschriften: Flaubert, Sue, De Mau­passant, Zola.

'Remarquable,' zei de psychiater nog eens.

De bewaker knikte beamend, alhoewel het hem helemaal ont­ging wat er zo merkwaardig was aan de vergeelde bladzijden van een groepje fantaisisten uit de vorige eeuw.

'De patiënt maakt ook geregeld aantekeningen bij zijn lectuur,' zei hij. Als Flaubert zo merkwaardig was, dan kon dat gekrabbel van Delcourt misschien eveneens het lezen waard zijn.

'Dat had u mij eerder moeten zeggen,' zei de psychiater met een licht verwijt in zijn stem. 'Is het mogelijk een vluchtige blik te werpen op die notities?'

De bewaker stapte uit het kantoortje in de zaal, waar Delcourt eenzaam in een hoekje aan de wormen zat te denken.

'Mag ik even de sleutel van uw kast, monsieur Delcourt?' vroeg hij vormelijk. Hij had zelf een dubbel van die sleutel op zak, maar het reglement luidde dat persoonlijke bezittingen niet mochten worden aangeraakt zonder toestemming van de eigenaar. Tenzij in geval van noodzaak. En dit was vooralsnog geen geval van noodzaak.

Zwijgend overhandigde Delcourt het sleuteltje. Hij deed machinaal wat men hem zei, behalve voedsel met wormen tot zich nemen.

Dokter Poulard bladerde nieuwsgierig in het schrift, maar de inhoud bleek een teleurstelling. Hoofdzakelijk sentimentele beschrij­vingen van idylles of drama's bij zonsondergang en in de maneschijn. Geen letter over ongedierte.

'Eigenlijk waren die zogenaamde realisten en naturalisten toch maar een bende romantische dromers,' zei de psychiater een beetje blasé. Hij onderdrukte een oprisping en vroeg zich af waar hij die woede en die haat vandaan moest halen.

'Laat Delcourt maar eens hier komen,' zei hij. 'Misschien kan hij ons zelf méér vertellen.'

Delcourt wist echter niets te vertellen. Hij reageerde niet op zin­volle en ook niet op zinloze vragen en keek van achter zijn lorgnet geobsedeerd naar een rozig puistje op de wang van de psychiater.

Dokter Poulard van zijn kant keek vragend naar de bewaker, alsof hij uit die hoek nog een suggestie verwachtte en haalde ten slot­te de schouders op.

'Wij zullen het nog een paar dagen aankijken,' zei hij. 'Mis­schien komt het vanzelf in orde. Per slot van rekening is oranje een secundaire kleur en die wormen kennen we allang. Zij komen en zij gaan. Geef hem verder RL-793 en tracht hem wat voedsel op te drin­gen. Bij voorkeur vast voedsel, beschuiten, chocolade, u weet wel. Maar niet forceren. Een paar dagen vasten kan geen kwaad. Als er na drie dagen geen schot in komt, geven wij hem intraveneuze voeding.'

Hij keek haastig de overige rapporten in, schreef een hogere dosis chlorpromazine voor aan de graafVan Orléans, en telefoneerde naar zijn vrouw dat hij op komst was voor het middagmaal.

Een paar dagen vasten kan inderdaad geen kwaad, dacht de bewaker en hij bekommerde zich verder niet om Delcourt, die zich voor de rest van de dag verheugend kalm hield.

Alleen bij het slapengaan werd hij weer een beetje onrustig. Jn zijn bed lag hij, klaaglijk en kreunend als een bange hond, te blaffen naar het oranje licht van de maan.

Toen Gaston, de oude nachtwaker, die een beetje seniel begon te worden maar toch nog flink ter been was, terugkeerde van zijn ronde, schreefhij met zijn stramme vingers in het patiëntenboek: 'Monsieur Bernard Delcourt souffre d'un rhume. Il tousse lamentablement. Je lui ai administré une cuillère de sirop pectoral, dose forte, conformément aux instructions du médecin-interniste Dr. Hoffmann dans un cas pareil. Une demi-heure plus tard Ie malade s'est endormi.'

Een halfuur na de 'sirop pectoral, dose forte' sliep monsieur Delcourt inderdaad een slaap, waaruit hij niet meer wakker zou wor­den. Zijn lichaam was goed voor de wormen.

T

18/07

JORIS HESSELS fragment Bevroren water en Monsieur Delcourt en de wormen uit 'De knetterende schedels' Roger van de Velde

In de veronder-stelling dat God bestaat, waarom heeft hij dan het water in mijn mond en in mijn oren bevroren?

Joris Hessels (°1980) is acteur. Hij speelt bij verschillende theatergezelschappen en in Vlaamse tv-series. Samen met mede-acteur Dominique Van Malder trok hij in 2015 voor het Canvasprogramma 'Radio Gaga' met een mobiele radiostudio door België.

LARA TAVEIRNE  fragment uit 'De markiezin' – Charlotte Mutsaers

Spring niet

roekeloos met jezelf om. Ik ben er ook nog!

Lara Taveirne (°1983) is regisseur en auteur. Met haar roman 'De kinderen van Calais' won ze in 2015 de Debuutprijs. In haar tweede boek, 'Hotel zonder sterren', beschrijft ze de geschiedenis van een ontnuchtering. Dit voorjaar ging ook 'Meisjes van krijt', haar theatertekst op basis van De kinderen van Calais, in première in de Kopergietery in Gent.

LARA TAVEIRNE  fragment uit 'De markiezin' – Charlotte Mutsaers

VIA VIA

Om haar hals hangt aan een touwtje een plat leren zak­je. Hierin bevindt zich keurig opgevouwen de Brief aan een Politieagent.

'Dit is je eerste reis alleen en je weet nooit,' zei Pap­pa, 'of je in zo'n wereldstad de kluts niet kwijtraakt. Een mens heeft er pas enig idee van wat hem allemaal kan overkomen als het te laat is. In gedachten zie ik je al totaal vermagerd langs de Schelde slierten. Punt een: vraag nooit vreemden de weg, want voor je het weet gaan ze een zwak voor je opvatten. Punt twee: steven af op de eerste de beste agent in uniform en overhandig hem deze brief. Dan zorgt hij vast en zeker dat je met je koffer bijJeske belandt. Spring niet roeke­loos met jezelf om, ik ben er ook nog!'

Op het lawaaiige wc'tje, waar ze van de ene kant naar de andere wordt geslingerd en waar het raampje van matglas elk zicht op de buitenwereld ontneemt, vouwt ze de brief open. Terwijl ze een spoor van pis trekt over de treinrails leest ze:

Geachte agent,

Dit is mijn dochter. Zij l1eeft een verdwaalmanie net als haar moeder. Het is niet moedwillig, maar als ze in een grote stad komen, lopen ze zo te denken en te dromen dat ze binnen de kortste keren de weg kwijt zijn.

Ik verzoek u vriendelijk haar uit mijn naam te wijzen op de risico's die een metropool als de uwe nu een­maal met zich meebrengt.

Wilt u zo goed zijn haar (mét de koffer) af te leveren op onderstaand adres?

Ze spoelt de brief niet door, ze werpt hem evenmin uit het raampje. Ze vouwt hem weer dicht en stopt hem zorgvuldig terug in het leren zakje.

In Antwerpen stapt ze zo vastberaden uit de trein dat je zou zweren dat ze in haar vaderstad is aangekomen.

terug naar boven

 

18/07