Maarten Boudry fragment uit 'Complete Guide to Guys' – Dave Barry

Tips voor vrouwen: hoe kun je een relatie hebben met een man

[Het volgende fragment is uit het hilarische boek van Dave Barry, Complete Guide to Guys, 1995.]

In tegenstelling tot wat veel vrouwen geloven, is het vrij makkelijk om een langdurige, stabiele, intieme en wederzijds bevredigende relatie met een man op te bouwen. Natuurlijk moet deze man een labrador retriever zijn. Bij menselijke mannen is het uiterst moeilijk. Dit komt omdat mannen niet echt begrijpen wat vrouwen bedoelen met de term relatie.

Stel dat een man genaamd Roger zich aangetrokken voelt tot een vrouw genaamd Elaine. Hij vraagt haar mee uit naar de film; ze zegt ja; ze hebben een hele leuke avond. Een paar dagen later vraagt hij haar mee uit eten, en weer vermaken ze zich. Ze blijven elkaar regelmatig zien, en na een tijdje gaat geen van hen nog met iemand anders uit.

En dan, op een avond terwijl ze naar huis rijden, schiet Elaine iets te binnen, en zonder na te denken zegt ze het hardop: ‘Realiseer je je dat wij elkaar vanavond precies een half jaar kennen?’

En dan is het stil in de auto. Voor Elaine is het een hele luide stilte. Ze denkt: Jeetje, ik vraag me af of hij het vervelend vindt dat ik dat zei. Misschien voelt hij zich beperkt door onze relatie; misschien denkt hij dat ik hem wil dwingen tot een soort verbintenis die hij niet wil, of waar hij niet zeker van is.

En Roger denkt: Jemig. Een half jaar.

En Elaine denkt: Maar, hallo, ik weet ook niet zeker of ik zo’n relatie wel wil. Soms zou ik willen dat ik ook iets meer ruimte had, om na te denken of ik echt wel wil dat we op deze manier doorgaan, langzaam onderweg naar… Ja, waar gaan we eigenlijk naartoe? Blijven we elkaar gewoon op dit niveau van intimiteit zien? Gaan we trouwen? Kinderen? Levenslang samen? Ben ik klaar voor deze mate van betrokkenheid? Ken ik deze persoon eigenlijk wel?

En Roger denkt: … Dus dat betekent dat het … even kijken … februari was toen we voor het eerst met elkaar uitgingen, net nadat ik de auto bij de garage had gebracht, dat betekent … even de kilometerteller checken… Wow! Ik moet nodig de olie laten vervangen.

En Elaine denkt: Hij is overstuur. Ik kan het van zijn gezicht aflezen. Misschien zie ik het wel helemaal verkeerd. Misschien wil hij wel juist meer van onze relatie, meer intimiteit, meer betrokkenheid, misschien voelde hij aan – zelfs voor ik het aanvoelde – dat ik mijn bedenkingen had. Ja, ik weet zeker dat dit het is. Dit is waarom hij zo terughoudend is om over zijn gevoelens te praten: Hij is bang om afgewezen te worden.

En Roger denkt: Ik zorg dat ze nog een keer naar de versnellingsbak kijken. Het kan me niet schelen wat die idioten zeggen, hij schakelt nog steeds niet goed. En waag het niet als ze nog een keer het slechte weer de schuld geven. Welk slecht weer? Het is 30.5 graden buiten en dit ding schakelt nog steeds als een verdomde vuilniswagen, en ik heb die onbekwame stelende ellendige rotzakken zes honderd dollar betaald.

En Elaine denkt: Hij is boos. En ik neem het hem niet eens kwalijk. Ik zou ook boos zijn. God, ik voel me zo schuldig dat ik hem dit aan doe, maar ik kan er niks aan doen dat ik dit zo voel. Ik weet het gewoon niet zeker.

En Roger denkt: Ze zullen waarschijnlijk zeggen dat er maar negentig dagen garantie op zit. Dat is precies wat ze gaan zeggen, de klootzakken.

En Elaine denkt: Misschien ben ik te idealistisch, wachtend op een prins die aan komt rijden op zijn witte paard, terwijl ik pal naast een prima persoon zit, iemand met wie ik graag ben, iemand om wie ik echt geef, iemand die echt om mij lijkt te geven. Iemand die lijdt vanwege mijn egoïstische, romantische schoolmeisjesfantasie.

En Roger denkt: Garantie? Ze willen garantie? Ik zal ze een verdomde garantie geven. Ik zal ze die garantie laten zien en in hun…

‘Roger,’ zegt Elaine hardop.

‘Wat?’ zegt Roger, geschrokken.

‘Alsjeblieft, kwel jezelf niet zo,’ zegt ze, haar ogen tot aan de rand gevuld met tranen. ‘Misschien had ik nooit… Oh God, ik voel me zo…’ (Ze barst in snikken uit.)

‘Wat?’ zegt Roger.

‘Ik ben zo’n sukkel,’ huilt Elaine. ‘Ik bedoel, ik weet dat er geen ridder bestaat. Ik weet dat echt. Het is stom. Er is geen ridder, en er is geen paard.’

‘Er is geen paard?’ zegt Roger.

‘Je denkt zeker dat ik achterlijk ben,’ zegt Elaine.

‘Nee!’ zegt Roger, blij dat hij eindelijk het juiste antwoord weet.

‘Het is alleen… Het is dat ik… Ik heb wat tijd nodig,’ zegt Elaine.

(Er volgt een vijftien seconde durende pauze, terwijl Roger, die zo hard nadenkt als hij kan, een veilig antwoord probeert te bedenken. Tenslotte vindt hij er een waarvan hij denkt dat het zal werken.)

‘Ja,’ zegt hij.

(Elaine, zeer ontroerd, raakt zijn hand aan.)

‘Oh, Roger, voel je dit echt zo?’ zegt ze.

‘Zo?’ zegt Roger.

‘Dat over die tijd,’ zegt Elaine.

‘Oh,’ zegt Roger. ‘Ja.’

(Elaine draait haar gezicht naar hem en kijkt diep in zijn ogen, waardoor hij zenuwachtig wordt over wat ze nu zal zeggen, helemaal als het over een paard gaat. Eindelijk spreekt ze.)

‘Dankjewel, Roger,’ zegt ze.

‘Jij bedankt,’ zegt Roger.

Dan brengt hij haar naar huis, en ze ligt op bed, een in innerlijke strijd verkerende, gekwelde ziel, en huilt tot zonsopgang, terwijl Roger als hij thuiskomt een zak Doritos opentrekt, de televisie aanzet en meteen wordt gegrepen door een herhaling van een tenniswedstrijd tussen twee Tsjecho-Slovaken waar hij nog nooit van heeft gehoord. En piepklein stemmetje in de verre hoekjes van zijn gedachten vertelt hem dat er iets belangrijks heeft plaatsgevonden daar in de auto, maar hij weet zeker dat hij nooit precies zal begrijpen wat, en dus concludeert hij dat het beter is als hij er niet aan denkt. (Dit is ook Rogers strategie als het gaat om hongersnood in de wereld.)

De volgende dag belt Elaine haar beste vriendin, of misschien twee, en ze zullen de situatie zes uur achtereen bespreken. Tot in het kleinste detail zullen ze alles wat zij heeft gezegd en wat hij heeft gezegd, analyseren, elk woord, elke uitdrukking en elk gebaar uitpluizen voor nuances in betekenis, elke mogelijke implicatie overwegen. Ze zullen dit onderwerp blijven bespreken, zo nu en dan, weken-, misschien zelfs maandenlang, ze zullen nooit echt tot een definitieve conclusie komen, maar ze krijgen er ook nooit genoeg van.

In de tussentijd zal Roger, op een dag als hij racquetball speelt met een gezamenlijke vriend van hem en Elaine, net voor het serveren pauzeren, zijn wenkbrauwen optrekken en zeggen: ‘Norm, heeft Elaine ooit een paard gehad?’

We hebben het hier niet over verschillende golflengtes. We hebben het over verschillende planeten, in totaal verschillende zonnestelsels. Elaine kan met Roger geen zinnig gesprek over hun relatie voeren, evenmin als ze een zinnig potje kan schaken met een eend. Want de totaalsom van Rogers gedachten over dit specifieke onderwerp is als volgt:

Huh?

Vrouwen kunnen dit maar moeilijk accepteren. Ondanks miljoenen jaren verpletterend bewijs voor het tegenovergestelde, zijn vrouwen ervan overtuigd dat mannen in ieder geval een beetje tijd moeten besteden aan het nadenken over hun relatie. Hoe zouden ze dat niet kunnen? Hoe kan een man dag na dag, nacht na nacht met een andere mens samenzijn, ontelbare uren met deze persoon doorbrengen, fysiek intiem worden – hoe kan een man al deze dingen doen en niet over hun relatie nadenken? Zo redeneren vrouwen.

Ze hebben het mis. Een man in een relatie is als een mier die bovenop een vrachtwagenwiel staat. De mier weet op een heel basaal niveau dat daaronder iets groots is, maar hij kan eenvoudigweg niet bevatten wat dit iets is, noch de aard van zijn verhouding ermee. En als de vrachtwagen begint te rijden, en het wiel begint te rollen, dan voelt de mier dat er iets belangrijks gebeurt, maar tot hij naar de onderkant is gerold en tot een kleine zwarte vlek is verpletterd, is de enige herkenbare gedachte die vorm krijgt in zijn hoofd, en ik citeer:

Huh?

Dit is precies wat Roger denkt als Elaine in woede is uitgebarsten tegen hem als hij een van de vele eindeloze reeks kleine vergrepen begaat, zoals haar zus mee uit vragen, die mannen altijd begaan in relaties, omdat ze werkelijk geen idee hebben dat ze er een hebben.

‘Hoe kon hij?’ vraagt Elaine haar beste vriendinnen. ‘Wat dacht hij wel?’

Het antwoord is, hij dacht niet, in de betekenis die vrouwen aan het woord geven. Hij kan dit niet: Hij heeft niet het juiste type brein. Hij heeft een mannenbrein, wat vooral een analytisch, probleemoplossend soort orgaan is. Het houdt ervan als dingen definitief en meetbaar en specifiek zijn. Het voelt zich niet op zijn gemak met nevelige en onnauwkeurige relatie-achtige concepten zoals liefde en behoefte en vertrouwen. Als het mannenbrein zich een mening moet vormen over een ander persoon, doet het dat het liefst door die mening te baseren op iets concreets over die persoon, zoals zijn of haar gemiddelde inkomen.

Het mannenbrein is dus niet zo geschikt om relaties te bevatten. Maar het is goed in het analyseren en oplossen van mechanische problemen. Bijvoorbeeld, als een koppel een huis heeft, en ze willen het opnieuw schilderen zodat ze het kunnen verkopen, zal het waarschijnlijk de man zijn die dit project onderhanden neemt. Hij zal methodisch alle maten opnemen, de totale oppervlakte berekenen en de dekkingscapaciteit per meter van de verf bepalen; dan, door zijn natuurlijke analytische en wiskundige vaardigheden te gebruiken, zal hij zich wijden aan het probleem hoe een goed excuus te vinden om het huis niet te hoeven schilderen.

‘Het is te vochtig,’ zal hij zeggen. Of: ‘Ik heb gelezen dat toekomstige kopers in feite meer aangetrokken zijn tot een huis met veel vuil aan de buitenkant.’ Mannen hebben nu eenmaal een natuurlijke aanleg voor deze manier van problemen oplossen. Dit is waarom er altijd een man verantwoordelijk is voor het beheren van het federale begrotingstekort.

Maar het punt dat ik wil maken is dat als je een vrouw bent, en je wilt een succesvolle relatie met een man, de Nummer Een Tip om te onthouden is:

1. Denk nooit dat de man begrijpt dat jullie een relatie hebben.

De man zal dit niet uit zichzelf beseffen. Je moet het idee in zijn brein planten door er constant subtiel aan te refereren in jullie dagelijkse gesprekken, zoals:

‘Roger, zou je me een zoetje willen aangeven, aangezien we een relatie hebben?’

‘Word wakker, Roger! Er zit een insluiper in het kippenhok en we hebben een relatie! Jij en ik, bedoel ik.’

‘Goed nieuws, Roger! De gynaecoloog zegt dat we ons vierde kind verwachten, wat alweer een goede aanwijzing is dat we een relatie hebben!’

‘Roger, aangezien dit vliegtuig gaat neerstorten en wij waarschijnlijk nog maar een minuut te leven hebben, wil ik dat je weet dat we een geweldig huwelijk van drieënvijftig jaar gehad hebben, wat duidelijk duidt op een relatie.’

Geef nooit op, vrouwen! Hamer onverbiddelijk door op dit idee, en uiteindelijk zal het doordringen tot het brein van de man. Op een dag zal hij er misschien zelf over na beginnen te denken. Hij zal met een paar andere mannen aan het praten zijn over vrouwen, en opeens zal hij zeggen, ‘Elaine en ik, wij hebben, ummm… Wij hebben, ahhh… Wij… Wij hebben iets.’

 

En hij zal het oprecht menen.

De volgende tip om je relatie te verbeteren is:

2. Verwacht niet van een man dat hij zich snel bindt.

Met ‘snel’ bedoel ik ‘tijdens jouw leven.’ Mannen zijn extreem terughoudend om zich te binden. Dit is omdat ze er nooit klaar voor zijn.

‘Het spijt me,’ zeggen mannen altijd tegen vrouwen, ‘maar ik ben er gewoon niet klaar voor om me te binden.’ Mannen verkeren in een constante staat van niet-klaar-zijn. Als mannen kalkoenen waren, dan kon je ze in de zomer in een oven van 350 graden zetten en zouden ze tegen Thanksgiving nog steeds niet klaar zijn.

Vrouwen vinden dit heel moeilijk te begrijpen. Vrouwen vragen zich af: Hoe kan een man zeggen dat hij ‘niet klaar’ is om zich te binden aan een vrouw bij wie hij duidelijk past; een vrouw met wie hij al jaren samen is; een vrouw die ooit zijn hond naar de dierenarts reed in haar nieuwe auto toen het (de hond) vreemde buikgeluiden begon te maken en toen overvloedig begon te kotsen nadat het een hele verjaardagstaart had opgegeten, inclusief kaarsen, die zij helemaal zelf voor hem (de man) had gemaakt, zodat haar auto de komende vijf jaar naar een stadiontoilet zal ruiken, waarna de man waarschijnlijk nog steeds zal zeggen dat hij ‘er niet klaar voor is’? En hoe kan het dat dezelfde man op een of andere manier in staat was, zeven jaar oud, zich over te geven aan een levenslange, win-of-verlies relatie met de Kansas City Royals, die hem niet eens een ansichtkaart gestuurd hebben?

Veel vrouwen concluderen dat het probleem is dat mannen, als een groep, de emotionele rijpheid van hamsters hebben. Nee, dit is niet het geval. Een hamster is veel beter in staat zich langdurig the binden aan een vrouw, vooral als ze hem van die lekkere korrels geeft. Een man in een relatie zal de korrels van kameraadschap verslinden, en hij zal rondrennen in het rad van lust; maar zodra hij voelt dat de deur van vastigheid dichtgaat en hem zal insluiten in de draaikooi van echte

 

 intimiteit, dan zal hij zich eruit wurmen, wegrennen over de keukenvloer van onzekerheid en zich verstoppen onder de koelkast van het niet-klaar-zijn. (Ik ben een professionele schrijver. Probeer deze metaforen niet thuis.)

Dit is normaal gedrag. Mannen zijn geboren met een fundamentele, genetisch overdraagbare mentale aandoening, die psychologen kennen als: De Angst Dat Als Je Gehecht Raakt Aan Een Vrouw, Een Vrijgezel, Ergens, Meer Plezier Zal Hebben Dan Jij. Dit is waarom alle getrouwde mannen denken dat alle ongetrouwde mannen een leven van constante opwinding leiden, met bubbelbaden vol naakte internationale topmodellen; terwijl voor de meeste ongetrouwde mannen het hoogtepunt van de gemiddelde avond het kijken van een infomercial voor Hair-in-a-Spray-Can en het eten van een uiendipje rechtstreeks uit het blik is. (Dit is ook het geval voor getrouwde mannen, hoewel zij statistisch meer kans maken een lepel te gebruiken.)

Dus mannen zijn zeer huiverig zich te binden, of zelfs maar stappen te zetten die zouden kunnen lijden tot een vaste relatie. Dit is waarom, als een man met een vrouw uitgaat en haar heel erg leuk vindt, hij zijn genegenheid zal tonen door haar de rest van zijn leven te ontwijken.

Vrouwen verbazen zich hierover. ‘Ik begrijp het niet,’ zeggen ze. ‘We hadden het zo leuk samen! Waarom belt hij niet?’

De reden is dat de man, gebruik makend van zijn rechtlijnige mannenmanier van denken, begrepen heeft dat als hij haar nog een keer uit vraagt, hij haar nog leuker zal gaan vinden, dus zal hij haar nog een keer uitvragen, en uiteindelijk worden ze verliefd op elkaar, en ze trouwen, en ze krijgen kinderen, en dan krijgen ze kleinkinderen, en tenslotte gaan ze met pensioen en maken een reis rond de wereld, en ze lopen hand in hand over een spectaculair strand ergens in het zuiden van de stille oceaan, ze halen herinneringen op aan de vele ervaringen die ze samen hebben gedeeld, wanneer er een paar naakte internationale topmodellen naar hen toekomen en hem uitnodigen om mee te gaan naar een bubbelbad, en hij zal nee moeten zeggen.

 

Maarten Boudry fragment uit 'Witte tanden' – Zadie Smith

HET EIGENAARDIGE TWEEDE HUWELIJK VAN ARCHIE JONES

 

Vroeg in de ochtend, laat in de eeuw, Cricklewood Broadway. Op 1 januari 1975 zat Alfred Archibald Jones om 6.27 uur gekleed in corduroy in een met uitlaatgassen gevulde Cavalier Musketeer Estate met zijn gezicht omlaag op het stuur en hoopte dat God niet te zwaar over hem zou oordelen. Hij hing voorover als een liggend kruis, met openhangende kaken, de armen aan beide zijden uitgespreid als een gevallen engel; stevig vastgeklemd in zijn vuisten hield hij zijn legermedailles (links) en zijn huwelijksakte (rechts), want hij had besloten zijn fouten met zich mee te nemen. Voor zijn ogen knipperde een klein groen lampje dat een afslag naar rechts aangaf, die hij besloten had nooit te nemen. Hij had zich erbij neergelegd. Hij was er klaar voor. Hij had een muntje opgegooid en hield zich onwankelbaar aan de uitkomst. Dit was een weloverwogen zelfmoord. Een nieuwjaarsvoornemen, in feite.

 

Maar zelfs toen zijn ademhaling krampachtig werd en het begon te schemeren voor zijn ogen was Archie zich ervan bewust dat Cricklewood Broadway een vreemde keuze zou lijken. Vreemd voor de eerste persoon die zijn ineengezakte gestalte door de voorruit zou zien, vreemd voor de politiemensen die het rapport zouden schrijven, voor de plaatselijke journalist die er vijftig woorden aan zou wijden, voor de familieleden die ze zouden lezen. Ingeklemd tussen een almachtig betonnen bioscoopcomplex aan de ene kant en een gigantische kruising aan de andere kant kon je Cricklewood eigenlijk geen plaats noemen. Geen plaats waar een man heen ging om te sterven. Het was een plaats waar een man kwam om naar andere plaatsen te gaan via de A14. Maar Archie Jones wilde niet sterven in een of ander aangenaam, afgelegen bos of op de rand van een rots omgeven door tere heideplantjes. Wat Archie betrof sterven plattelanders op het platteland en stedelingen in de stad. Zo hoort het. In de dood zoals hij in het leven was en dat soort dingen. Het was wel logisch dat Archie daar zou sterven, in die akelige straat waar hij op zijn zevenenveertigste terecht was gekomen en in zijn eentje in een kleine flat woonde boven een verlaten patatzaak. Hij was geen type voor gedetailleerde plannen – zelfmoordbriefjes en begrafenisinstructies – geen type voor overdreven gedoe. Het enige wat hij vroeg was een beetje stilte, een beetje rust om zich te kunnen concentreren. Hij wilde dat het volkomen vredig en kalm was, als in een lege biechtstoel, of het moment in de hersenen tussen gedachte en spraak. Hij wilde het doen voordat de winkels opengingen.

 

 

Boven hem vloog een troep van het plaatselijke vliegende ongedierte op van een onzichtbare rustplaats, maakte een duikvlucht die gericht scheen te zijn op het dak van Archies auto, maar ging op het allerlaatste moment over op een indrukwekkende U-bocht en streek met de sierlijkheid van een effectbal als één vogel neer op de Hussein-Ishmael, een bekende halal slager. Archie was te ver heen om zich er druk over te maken, maar hij zag ze met een warme inwendige glimlach hun last deponeren en paarsrode vegen achterlaten op witte muren. Hij zag ze hun spiedende vogelkopjes strekken boven de goot van de Hussein-Ishmael; hij zag ze kijken hoe het bloed langzaam en gestadig uit de dode dingen liep, uit de kippen, koeien en schapen die in de slagerij als jassen aan hun haken hingen. De Ongelukkigen. Deze duiven hadden een instinct voor de Ongelukkigen, dus lieten ze Archie met rust. Want hoewel hij het niet wist, en ondanks de stofzuigerslang die op de passagiersstoel lag en gas uit de uitlaatpijp in zijn longen pompte, was het geluk die ochtend met hem. Het allerdunste laagje geluk lag over hem als frisse dauw. Terwijl hij langzaam het bewustzijn verloor hadden de stand van de planeten, de harmonie der sferen, het slaan van de ragfijne vleugels van de beervlinder in Centraal-Afrika en een heleboel andere dingen die de rotzooi in de wereld brengen het zo beschikt dat Archie een tweede kans kreeg. Ergens, op de een of andere manier, door iemand, was besloten dat hij zou leven.

 

 De eigenaar van de Hussein-Ishmael was Mo Hussein-Ishmael, een grote stier van een kerel met haar dat rees en daalde in een vetkuif en afliep in een kippenkont. Als het om duiven ging, geloofde Mo dat je naar de wortel van het probleem moest: niet de uitwerpselen, maar de duif zelf. De stront is niet de stront (was Mo’s mantra), de duif is de stront. En zo begon in de Hussein-Ishmael de ochtend van Archies bijna-dood als elke andere ochtend, met Mo die met zijn enorme buik over de vensterbank naar buiten hing en met een hakmes heen en weer zwaaide in een poging een halt toe te roepen aan de kwijlende paarsrode stroom.

 

...

 

Hij luisterde nog vijftien minuten naar ze, zwijgend, terwijl hij de zuigkracht van de stofzuiger uitprobeerde op stukken krant, tot hij overmand werd door het gevoel dat het leven een enorme rugzak was, zo onmogelijk zwaar dat het, ook al betekende het alles verliezen, oneindig veel gemakkelijker was om alle bagage hier aan de kant van de weg achter te laten en de duisternis in te lopen. Je hebt de blender niet nodig, Archie, jongen, je hebt de stofzuiger niet nodig. Het is allemaal extra ballast. Leg die rugzak maar neer, Arch, en voeg je bij de gelukkige kampeerders in de hemel. Was dat verkeerd? Voor Archie – ex-vrouw en familie van ex-vrouw in het ene oor, sputterende stofzuiger in het andere – leek het Einde onvermijdelijk nabij. Niets persoonlijks naar God of zo. Het voelde alleen als het einde van de wereld. En er was meer voor nodig dan slechte whisky, knalbonbons en een armzalige doos Quality Street – die met aardbeiensmaak waren allemaal al opgeschrokt – om een nieuw jaar te rechtvaardigen.

 

Geduldig repareerde hij de Hoover en stofzuigde de woonkamer met een vreemde methodische nauwgezetheid, waarbij hij het mondstuk tot in de moeilijkste hoeken duwde. Plechtig gooide hij een munt op (kruis, leven, munt, dood) en voelde niets in het bijzonder toen hij naar de dansende leeuw zat te kijken. Rustig maakte hij de slang van de stofzuiger los, stopte hem in een koffer en verliet het huis voor de laatste keer.

 

 

 

 

 

T

19/07

Maarten Boudry fragment uit 'Complete Guide to Guys' – Dave Barry en uit 'Witte tanden' – Zadie Smith

Als het om duiven ging, geloofde Mo dat je naar de wortel van het probleem moest: niet de uitwerpselen, maar de duif zelf.

Maarten Boudry (°1984) is filosoof en scepticus. Hij is vooral bekend om zijn kritische houding tegenover

pseudowetenschap en opiniestukken over religie. In 2011 publiceerde hij samen met filosoof Johan Braeckman 'De ongelovige Thomas heeft een punt', een boek waarin hij argumenten biedt tegen allerlei vormen van irrationeel denken.

Heleen Debruyne fragment uit 'A Vindication of The Rights of Women' – Mary Wollstonecraft en fragment uit een boek dat nog niet af is

Dat mijn kut explodeert van onbestemd verlangen, dat vertel ik ondertussen niemand.

Heleen Debruyne (°1988) werkt bij Radio Klara, is Chef Vrouwenzaken bij Van

Gils & Gasten en onderzoekt graag vleselijkheden in 'Vuile Lakens', een podcast over seks en lichaam. Ze schrijft ook columns voor Humo en De Morgen. Vorig jaar publiceerde ze haar debuut 'De plantrekkers', een tragikomische roman waarin verschillende mensen en nationaliteiten samenkomen in een Vlaams provinciestadje met een overschot aan verkeersdrempels.

 

Heleen Debruyne fragment uit 'A Vindication of The Rights of Women' – Mary Wollstonecraft

"Strengthen the female mind by enlarging it, and there will be an end to blind obedience; but as blind obedience is ever sought for by power, tyrants and sensualists are in the right when they endeavor to keep women in the dark, because the former only want slaves, and the latter a plaything. The sensualist, indeed, has been the most dangerous of tyrants, and women have been duped by their lovers, as princes by their ministers, whilst dreaming that they reigned over them."

 

 

Uit: Mary Wollstonecraft, A Vindication of The Rights of Women. Hoewel verschenen in 1792, nog steeds niet vertaald, helaas.

 

 

Heleen Debruyne fragment uit een boek dat nog niet af is

Hoe mijn tweede grote verliefdheid zo onverhoeds kon verglijden in een bijna huwelijkse staat van twaalf lange jaren, begrijp ik niet meer. Twaalf jaren die te gezapig goed waren om ongelukkig te mogen heten. Pardon, goed zijn. Hoe wreed, in de verleden tijd over Bram spreken, terwijl hij hier nietsvermoedend zit te ademen, tegenover me, in die ene verweerde lederen fauteuil die hij per se uit de inboedel van zijn grootmoeder wilde redden.

'Ik zou het niet anders willen,' vertel ik aan de ene helft van mijn vriendinnen van op de universiteit, terwijl we gin-tonic toasten op de puinhopen die ze in mannenlevens achterlaten.

'Nee, daar denken wij nog niet aan,' verzeker ik de andere helft van mijn vriendinnen, prikkend in een zondags suikervrij taartje, terwijl zij kolven. Het gelige sap dat dan uit hun borsten stroomt, doet me denken aan het vet dat je op tv wel eens uit dikke billen ziet gezogen worden. Die kolfmachientjes klinken als kapotte fruitpersen, braken af en toe een vettig, zuigend geluid uit. Het moederschap reduceert de vrouw tot een haast dierlijke staat, schreef Simone de Beauvoir - dacht ik. Voor ik dat las, dacht ik aan baby's als aardige, beweeglijke poppetjes die naar het beeld van hun ouders gemodelleerd zijn en altijd lekker ruiken. Sinds De Beauvoir, zie ik baby's als larven, kronkelende lichamen vol gaten, waar moegetergde vrouwen steeds maar iets in moeten stoppen. Ik krijg de zondagse taartjes zelden op.

Dat mijn kut explodeert van onbestemd verlangen, dat vertel ik ondertussen niemand. Zeker niet de relatietherapeut, in wiens praktijkruimte we sinds kort elke week in een sleetse sofa zitten te stamelen.

 

terug naar boven

 

19/07