KADIR BALCI fragment uit 'De ondraaglijke lichtheid van het bestaan' – Milan Kundera

De Grote Mars

1

Pas in 1980 konden we in de Sunday Times lezen over de dood van Stalins zoon Iakov. Als krijgsgevangene tijdens de Tweede Wereldoorlog zat hij samen met Engelse officieren in een Duits kamp. Ze hadden een gemeenschappelijke wc en Stalins zoon liet die altijd vies achter. De Engelsen vonden het niet prettig te kijken naar een wc besmeurd met stront, als die stront van de zoon van de in die tijd machtigste man ter wereld. Ze maakten hem verwijten. Hij was beledigd. Ze maakten hem keer op keer verwijten en dwongen hem de wc schoon te maken. Hij werd boos, maakte ruzie met hem, vocht. Uiteindelijk vroeg hij om een gesprek met de kampcommandant. Hij wilde dat de kampcommandant een oordeel zou uitspreken. Maar de zelfingenomen Duitser weigerde over stront te praten. Stalins zoon kon die vernedering niet verdragen. Onder het tot de hemel uitroepen van de verschrikkelijkste Russische scheldwoorden rende hij naar de onder spanning staande draden om het kamp heen. Hij stortte zich ertegenaan. Zijn lichaam dat de wc van de Engelsen nooit meer zou bevuilen, bleef eraan vastzitten.

 

2

Stalins zoon had het niet gemakkelijk. Zijn vader hem hem verwekt bij een vrouw die hij daarna, en alles wijst erop, had doodgeschoten. De jonge Staling was dus de zoon van God (want zijn vader werd aanbeden als God), maar was tevens door hem verstoten. Hij werd gevreesd om twee redenene: hij kon zowel mensen schaden door zijn macht (hij was immers Stalins zoon) als door zijn welwillendheid (de vader kon in plaats van de verstoten zoon diens vrienden straffen).

Verstoting en bevoorrechting, geluk en ongeluk, niemand anders heeft concreter aan den lijve ondervonden hoe verwisselbaar deze tegenstellingen zijn en dat het maar één stap is van de ene naar de andere pool van het menselijk bestaan.

Direct aan het begin van de oorlog werd hij door de Duitsers gevangengenomen. Zijn medegevangenen, van het volk waarvan hij de onbegrijpelijke geslotenheid altijd met heel zijn lichaam had verafschuwd, beschuldigden hem van viezigheid. Hij die op zijn schouders het hoogst denkbare drama droeg (hij was de zoon van God en een gevallen engel) zou nu berecht moeten worden, niet omwille van verheven zaken (betreffende God en de engelen) maar omwille van stront?

Liggen dus het hoogste en het laagste drama zo duizelingwekkend dichtbij elkaar?

Duizelingwekkend dicht bij elkaar? Kan nabijheid dan een duizeling veroorzaken?

Dat kan. Als de noordpool op raakafstand komt van de zuidpool, verdwijnt de aardbol en de mens belandt in een leegte, die zijn hoofd aan het tollen brengt en hem lokt om te vallen.

Als verstoting en bevoorrechting gelijk zijn, is er geen verschil tussen verhevenheid en laagheid, als de zoon van God berecht kan worden omwille van stront, verliest het menselijk bestaan zijn afmetingen en wordt ondraaglijk licht. Op dat moment rent Stalins zoon naar de onder spanning staande draden om er zijn lichaam op te gooien als op een schaalt van een weegschaal, dat zielig omhoogsteekt, in de hoogte getild door de oneindige lichtheid van de wereld die haar afmetingen heeft verloren.

Stalins zoon gaf zijn leven voor stront. Maar sterven voor stront is geen zinloze dood. Duitsers die hun leven offerden voord e uitbreiding van hun rijk verder naar het oosten, Russen die stierven om de macht van hun vaderland verder naar het westen te strekke, ja, die stierven voor iets stompzinnings en hun dood had geen zin en geen algemene geldigheid.

De dood van Stalins zoon was daarentegen, midden in de algemene stompzinnigheid van de oorlog, de enige metafysische dood.

 

3

Toen ik klein was en het Oude Testament, verteld voor kinderen en geïllustreerd met prenten van Gustave Doré, doorbladerde, zag ik daarin God op een wolk. Hij was afgebeeld als een oude man met ogen, een neus en een lange baard en ik dacht dat hij als hij een mond had, ook moest eten. En als hij at, moest hij ook darmen hebben. Maar die gedachte schrikte me meteen af, want al was ik een kind uit een amper gelovig gezin, ik vond het beeld van Gods darmen heiligschennis.

Zonder enige theologische opvoeding, spontaan, begreep ik als kind al de onverenigbaarheid van stront en God, en daardoor ook het twijfelachtige uitgangspunt van de christelijke antropologie dat de mens geschapen werd naar Gods beeld. Of het een of het ander: of de mens werd geschapen naar Gods beeld en dan heeft God darmen, of God heeft geen darmen en dan lijkt de mens niet op hem.

[...]

Stront is een moeilijker theologisch probleem dan het kwaad. God gaf de mens vrijheid en we kunnen dus al met al aannemen dat hij niet verantwoordelijk is voor de menselijke misdaden. Alleen hij die de mens heeft geschapen draagt echter de volle verantwoordelijkheid voor de stront.

 

4

In de vierde eeuw verwierp de heilige Hiëronymus categorisch de idee dat Adam en Eva in het paradijs gemeenschap hadden. De grote theoloog van de negende eeuw, John Scorus Erigena, sloot die idee daarentegen niet uit. Hij stelde zich echter voor dat het lid van Adam zo ongeveer werd geheven als een hand of een been, dus wanneer en hoe hij maar wilde. Laten we achter dit beeld niet de eeuwige droom zoeken van een man, panisch voor impotentie. De gedachte van Scorus Erigena heeft een andere betekenis. Het feit dat het lid louter op bevel van de hersenen kan worden geheven, betekent dat opwinding op aarde overbodig is. Het lid komt niet omhoog omdat we opge­wo11den zijn, maar omdat we het dat opdragen. De grote theo­loog vond niet de gemeenschap in strijd met het paradijs, maar het daaraan gekoppelde genot. Opwinding was in suijd met het paradijs. Onthoud dat goed: in het paradijs bestond genot, geen opwinding.

In de beschouwing van Scorus Erigena kunnen we de sleu­tel vinden voor een theologische rechtvaardiging (met andere woorden de theodicee) van stront. Zolang de mens in het paradijs mocht zijn, had hij of geen ontlasting (net als Jezus volgens de idee van Valencinus), of werd suont- en dat lijkt ons waarschijnlijker - niet gezien als iets weerzinwekkends. Op het moment dat God de mens uit het paradijs verjoeg, liet hij hem zijn walging beseffen. De mens begon datgene waar­voor hij zich schaamde te verbergen, en toen hij de sluier oplichtte werd hij verblind door een groot licht. Onmiddellijk na de walging ontdekte de mens ook de opwinding. Zonder stront (in letterlijke en figuurlijke betekenis van het woord) zou er geen seksuele liefde zijn zoals wij die kennen: gepaard met het bonzen van het hare en de verblinding van de zintui­gen.

In het derde deel van deze roman vertelde ik hoe de half­naakte Sabina met de bolhoed op naast de geklede Tomas stond. Iets heb ik toen verzwegen. Terwijl ze in de spiegel keek en door haar eigen belachelijkheid opgewonden raakte, flitste het haar door het hoofd dat Tomas haar met bolhoed en al op de toiletpot zou zetten en dat ze haar darmen voor zijn ogen zou ledigen. Op dat moment begon haar hart te bonzen, ze raakte buiten zinnen, trok Tomas naar de grond en schreeuw­de op slag van genot.

 

5

Het conflict tussen degenen die beweren dat God de wereld heeft geschapen en hen die van mening zijn dat de wereld uit zichzelf is ontstaan, betreft iets dat ons verstand en onze ervaring te boven gaat. Er is een veel wezenlijker verschil tussen degenen die het bestaan zoals het aan de mens werd gegeven (hoe en door wie dan ook) in twijfel trekken en hen die er zonder reserve mee instemmen.

Achter alle Europese geloofsovertuigingen, religieus en politiek, staat het eerste hoofdstuk van Genesis waarin we lezen dat de wereld is geschapen zoals het goed was, dat het menselijke bestaan goed is en dat het dus juist is zich te vermenigvuldigen. Laten we deze fundamentele geloofsovertuiging noemen: categorische instemming met het bestaan.

Het feit dat tot voor kort het woord stront met ... werd aangeduid had niets te maken met morele overwegingen. U wilt toch niet beweren dat stront immoreel is?! Afkeuring van stront is metafysisch. Ontlasting is het dagelijks bewijs dat men de schepping niet aanvaardt. Het één of het ander: of stront is aanvaardbaar (en dan hoef je de w.c.-deur niet op slot te doen!) of we zijn geschapen op een onaanvaardbare manier.

Hieruit volgt dat het esthetische ideaal van de categorische instemming met het bestaan een wereld is waarin stront ontkend wordt en waarin iedereen zich gedraagt alsof die niet bestaat. Dit esthetische ideaal heet kitsch.

Het is een Duits woord, ontstaan in het midden van de sentimentele negentiende eeuw, dat later in alle talen is verbreid geraakt. Veelvuldig gebruik heeft de oorspronkelijke metafysische betekenis ervan echter verdoezeld: kitsch is de absolute ontkenning van stront in letterlijke en figuurlijke zin; kitsch sluit vanuit zijn gezichtspunt alles uit wat het menselijke bestaan esesentieel onaanvaardbaar maakt.

 

6

Sabina's eerste innerlijke verzet tegen het communisme had geen ethisch, maar een esthetisch karakter. De lelijkheid van de communistische wereld (vernielde kastelen die in koeiestallen werden veranderd) stootte haar echter veel minder af dan het masker van schoonheid dat deze wereld opzette, met andere woorden: de communistische kitsch. Het zogenaamde feest van 1 mei staat er model voor.

 

Ze zag de één-mei-optochten in de tijd waarin de mensen nog enthousiast waren of zich uitsloofden om enthousiast te lijken. De vrouwen droegen een rode, witte of blauwe blouse, en gezien vanaf balkons en uit ramen vormden ze verschillende figuren: vijfhoekige sterren, harten en letters. Tussen afzonderlijke gedeelten van de optocht liepen orkestjes die marsmuziek speelden. Wanneer de optocht de tribune naderde, straalde ook van de meest verveelde gezichten een brede glimlach, alsof ze wilden bewijzen dat ze blij waren, of om precies te zijn: dat ze instemden, zoals het hoorde. Maar het ging niet alleen om een politieke instemming met het communisme, maar om een instemming met het bestaan als zodanig. Het feest van 1 mei laafde zich aan de diepe bron van de categorische instemming met het bestaan. De ongeschreven, onuitgesproken leuze van de optocht was niet 'Leve het communisme!' maar 'Leve het leven!' De kracht en de list van de communistische politiek lag daarin dat ze zich die leuze had toegeëigend. Juist deze idiote tautologie ('Leve het leven!') trok ook die mensen naar de communistische optocht die de stellingen van het communisme koud lieten.

 

7

 

Tien jaar later (ze woonde al in Amerika) nam een Amerikaanse senator, een vriend van haar vrienden, haar mee in zijn gigantische auto. Op de achterbank zaten vier kinderen gepropt. De senator stopte; de kinderen stapten uit en renden over een groot grasveld naar de kunstijsbaan. De senator keek van achter het stuur dromerig naar die vier rennende figuurtjes en draaide zich toen naar Sabina: 'Kijk eens naar hen.' Met de hand beschreef hij een cirkel die de ijsbaan, het grasveld en de kinderen moest omvatten: 'Dat noem ik geluk.' Achter die woorden zat niet alleen blijdschap omdat de kinderen renden en het gras groeide, maar ook een uiting van begrip ten opzichte van de vrouw die uit het land van het communisme was gekomen, waar volgens de overtuiging van de senator het gras niet groeide en kinderen niet renden.

 

Sabina stelde zich die senator juist toen voor op een tribune op een Praags plein. Wat op zijn gezicht te lezen viel, was exact dezelfde glimlach die de communistische staatslieden vanaf de hoogte van hun tribune richtten tot de op dezelfde manier glimlachende burgers beneden in de optocht

 

8

Hoe wist de senator dat kinderen geluk betekenen? Kon hij in hun ziel kijken? Stel nu eens dat op het moment dat ze uit het zicht waren, drie van hen zich op de vierde wierpen en hem begonnen af te tuigen?

De senator had één enkel argument voor zijn bewering: zijn gevoel. Waar het hart spreekt, is het onbehoorlijk dat het verstand iets tegenwerkt. In het rijk van de kitsch heerst de dictatuur van het hart.

Het door kitsch opgeroepen gevoel moet uiteraard dusdanig zijn dat massa's dat kunnen delen. Kitsch kan daarom nooit stoelen op een bijzondere situatie, maar op basisbeelden die in het geheugen van de mensen zijn gegrift: ondankbare dochter, in de steek gelaten vader, kinderen die over een grasveld renen, verraden vaderland, herinnering aan de eerste liefde. Kitsch wekt vlak achter elkaar twee tranen van ontroering. De eerste traan zegt: Wat mooi, kinderen die over een grasveld rennen!

De tweede traan zegt: Wat mooi om samen met het hele mensdom ontroerd te zijn door kinderen die over een grasveld rennen!

De tweede traan maakt kitsch pas tot kitsch.

 

9

Niemand weet dat beter dan politici. Zodra er een camera in de buurt is, rennen ze naar het dichtstbijzijnde kind om het hoog in de lucht te tillen en op beide wangen te kussen. Kitsch is het esthetisch ideaal van alle politici, alle politieke partijen en bewegingen. In een maatschappij waar diverse politieke richtingen naast elkaar bestaan en elkaars invloed derhalve opheffen of beperken, kunnen we aan de inquisitie van kitsch nog enigszins ontsnappen: het individu kan zijn originaliteit behouden en de kunstenaar kan iets verrassends scheppen. Waar echter één enkele politieke beweging alle macht bezit, bevinden we ons op slag in het rijk van de totalitaire kitsch.

Met 'totalitair' bedoel ik dat alles wat de kitsch verstoort uit het leven gebannen is: elke uiting van individualiteit (want elk verschil is een fluim in het gezicht van de glimlachende broederschap), elke twijfel (want wie over een futiliteit begint te twijfelen, eindigt met het twijfelen over het leven zelf), ironie (want in het rijk van de kitsch moet alles volslagen serieus worden genomen), maar ook de moeder die haar familie heeft verlaten of de man die de voorkeur geeft aan mannen boven vrouwen en die een bedreiging vormen voor die heilige leuze 'Gaat heen en vermenigvuldigt u'. Zo bezien kunnen we het zogenaamde goelag beschouwen als een hygiënische kuil, waarin de totalitaire kitsch zijn afval werpt.

 

10

De eerste tien jaar na de Tweede Wereldoorlog was de tijd van de afgrijselijkste stalinistische terreur. Toen werd Tereza's vader om een of andere futiliteit gearresteerd en het tien jaar oude meisje werd het huis uitgezet. In dezelfde tijd studeerde de twintigjarige Sabina aan de academie van beeldende kunst. De docent in het marxisme zette haar en haar medeleerlingen de volgende stelling van de socialistische kunst uiteen: de sov­jetmaacschappij heeft bereikt dat de basisstrijd al niet meer gaat tussen goed en kwaad, maar russen goed en beter. Stront (datgene dus wat in wezen onaanvaardbaar is) kon daarom alleen bestaan 'aan de andere kant' (in Amerika bijvoorbeeld) en alleen daarvandaan, van buiten af, als iets exotisch (in de gedaante van spionnen bijvoorbeeld) doordringen tot de wereld van 'goed en beter'.

De Sovjetrussische ftlms die juist in deze wreedste periode de bioscopen van alle communistische landen overspoelden, waren werkelijk doordrenkt van een ongelooflijke onschuld. Het grootste confict dat zich russen twee Russen kon afspe­len, was een misverstand in de liefde: hij dacht dat ze niet meer van hem l1ield, en zij dacht dat van hem. Aan het einde vielen ze in elkaars armen en stortten tranen van geluk.

Tegenwoordig is de conventionele uitleg van deze films: ze toonden het communistische ideaal, terwijl de communisti­sche realiteit slechterwas.

Sabina verzette zich tegen deze uitleg. Bij de gedachte dat de wereld van de sovjetkicsch werkelijkheid zou moeten worden en dat zij daarin zou moeten leve11, liepen haar de koude rillin­gen over de rug. Zonder enige aarzeling zou ze de voorkeur geven aan een leven onder een werkelijk communistisch regi­me met alle vervolgingen en rijen voor de slagerswinkels van dien. In een werkelijke communistische wereld is te leven. In de wereld van het verwerkelijkte communistische ideaal, in die wereld van glimlachende idioten met wie ze geen woord kan wisselen, zou ze binnen een week doodgaan van afschuw.

Ik heb de indruk dat de sovjetkitsch in Sabina dezelfde afschuw wekte die Tereza in haar droom onderging, toen ze met de naakte vrouwen rondom het zwembad marcheerde en vrolijke liedjes moest zingen. Onder het wateroppervlak dre­ven lijken. Tereza kon zich tot geen enkele vrouw richten, geen enkele vraag stellen. Als antwoord wie ze alleen maar het vol­gende couplet van het lied horen. Ze kon tegen geen van hen heimelijk knipogen. Onmiddellijk zouden ze de man in de mand boven het zwembad op haar attent maken om haar dood te schieten.

Terezás droom onthult de juiste functie van kitsch: kitsch is een kamerscherm om de dood aan het oog te onttrekken.

 

11

In het rijk van de totalitaire kitsch staan de antwoorden bij voorbaat vast en sluiten elke vraag uit. Daaruit volgt dat dege­ne die vraagt de werkelijke tegenstander is van totalitaire kitsch. Een vraag is net een mes dat her doek, beschilderd met een decor, opensnijdt om te kunnen zien wat erachter schuilt. Zo heeft Sabina trouwens desti jds de bedoeling van haar schil­derijen aan Tereza uitgelegd: op de voorgrond een begrijpelij­ke leugen en daarachter de onibegrijpelijke waarheid.

Alleen kunnen zij die tegen de zogenaamde totalitaire regi­mes strijden slechts moeizaam vechten tegen vragen en twijfels. Ook zij hebben hun zekerheden en eenvoudige waarheden nodig, die begrijpelijk zijn voor de grootst mogelijke hoeveel­heid mensen en die een collectieve traanafscheiding opwekken.

Eens organiseerde een politieke organisatie in Duitsland een expositie van Sabina's schilderijen. Sabina pakte de catalo­gus: erop stond haar foto en daaroverheen was prikkeldraad getekend. Binnenin stond haar biografie en die leek op een hagiografie van martelaars en heiligen: ze had geleden, ze had gevochten tegen onrecht, ze had het gekwelde vaderland moe­ten verlaten en ze streed nu verder. 'Ze strijdt met haar schilde­rijen om het geluk,' luidde de laatste zin van dere tekst.

 

12

Ze stond voor de scluldersezel met een halfafgemaakt doek. Achter haar rug zat in een leunstoel een oude man die elke streek van haar penseel gadesloeg.

'Ik denk dat we al moeten gaan,' zei hij op zijn horloge kij­kend.

Ze legde het palet neer en ging naar de badkamer. De oude man stond op uit de leunstoel en boog zich naar zijn stok, die tegen de tafel stond. De deur van het atelier kwam direct op een grasveld uit. Het schemerde al. Twintig meter daarvan­daan stond een wit, houten huis met verlichte ramen op de begane grond. Sabina raakte ontroerd door de twee ramen die brandden in de dovende dag.

Haar hele leven heeft ze al verkondigd dat kitsch haar vijand is. Maar draagt ze die zelf niet in zich? Haar kitsch is het beeld van een rustig, zacht en harmonisch thuis met een lieve moe­der en een wijze vader. Dat beeld ontstond in haar na de dood van haar ouders. Naarmate haar leven meer van die zoete droom afweek, des te meer raakte haar de betovering ervan en verscheidene keren schoten de tranen haar in de ogen als ze op de televisie een sentimenteel verhaal zag, waarin een ondank­bare dochter een in de steek gelaten vader omhelst en in de dovende dag de ramen branden van een huis met een gelukkig gezin.

Ze had de oude man in New York leren keru1en. Hij was rijk en hield van schilderij. Hij woonde met zijn even oude vrouw op her platteland in een villa. Aan de overkant van de villa stond op zijn grond een oude stal. Hij maakte daarvan een atelier voor Sabina, nodigde haar daar uit en sloeg haar penseelstreken dagenlang gade.

Nu zitten ze alle drie juist aan het avondeten. De oude vrouw zegt 'kindje' tegen Sabina, maar alles wijst erop dat het andersom is: Sabina zit hier als een moeder met twee kinderen die aan haar hangen, haar bewonderen en bereid zouden zijn haar te gehoorzamen.

Heeft ze dan op de drempel van ouderdom de ouders gevo11den van wie ze zich destijds als meisje had losgescheurd? Heeft ze eindelijk de kinderen gevonden die ze zelf nooit heeft gehad?

Dat is een illusie, dat weet ze. Haar verblijf bij de oudjes is slechts een korte onderbreking. De oude man is ernstig ziek en zijn vrouw zal, zodra ze alleen achterblijft, naar haar zoon in Canada gaan. Sabina's weg van verraad zal verder gaan en van rijd tot rijd zal in de ondraaglijke lichtheid van het bestaan diep uit haar hart een belachelijk sentimenteel lied opklinken over twee verlichte ramen waarachter een gelukkig gezin woont.

Dat lied ontroert haar, maar Sabina neemt haar ontroering niet serieus. Ze weet heel goed dat dat lied een mooie leugen is. Op het moment dat je in de kitsch de leugen herkent, komt de kitsch binnen de context van de niet-kitsch. Zo verliest die zijn autoritaire macht en ontroert als elke andere menselijke zwak­te. Want niemand van ons is zo'n supermens dat hij helemaal aan kitsch kan ontsnappen. Hoezeer we die ook minachten, kitsch behoort tot het menselijk lot.

 

13

De bron van kitsch is de categorische instemming met het bestaan.

Maar wat is de hoeksteen van het bestaan? God? De mens? Strijd? Liefde? Man? Vrouw?

Hierover bestaan verschillende opvattingen en daarom zijn er ook verschillende soorten kirsch: katholieke, protestanse, joodse, communistische, fascistische, democratische, femi­nistische, Europese, Amerikaanse, nationale, internationale.

Sinds de Franse Revolutie noemt de helft van Europa zich links, terwijl de andere helft de benaming rechts kreeg. Het is vrijwel onmogelijk beide richtingen te definiëren met de theo­retische principes waarop ze stoelen. Dat is niet vreemd: poli­tieke bewegingen berusten niet op rationele standpunten, maar op fantasieën, denkbeelden, woorden en archetypen, die samen vorm geven aan deze of gene politieke kitsch.

De betovering van de Grote Mars waardoor Franz werd geraakt, is de politieke kitsch die linkse mensen van alle tijden en richtingen samenbindt. De Grote Mars, dat is die schitte­rende weg voorwaarts, de weg naar broederschap, gelijkheid, rechtvaardigheid, geluk en nog verder, over alle hindernissen heen, want hindernissen hebben we nodig, pas dan wordt de mars de Grote Mars.

Dictatuur van het proletariaat of democratie? Consumptie­maatschappij weigeren of produktie verhogen? Guillotine of afschaffing van de doodstraf? Dat is helemaal niet belangrijk. Wat linkse mensen links maakt is niet de e11e of de andere theorie, maar hun vermogen welke theorie dan ook te integre­ren in de kitsch van de zogenaamde Grote Mars voorwaarts.

T

20/07

KADIR BALCI fragment uit 'De ondraaglijke lichtheid van het bestaan' – Milan Kundera

Stalins zoon gaf zijn leven voor stront. Maar sterven voor stront is geen zinloze dood.

Kadir Balci (°1970) is regisseur en schrijver. In 2010 debuteerde hij met zijn eerste langspeelfilm: 'Turquaze'. Een paar jaar later volgde Trouw met mij, een romantische komedie. Momenteel werkt hij aan een filmadaptatie van Stefan Hertmans' roman 'Harder dan sneeuw'.

STEFAN HERTMANS fragment uit 'Lome rook' uit Verzamelde Verhalen – Nabokov

Maar het was onvoor-stelbaar moeilijk om in beweging te komen; moeilijk, omdat de vorm van zijn wezen geen enkel kenmerk, geen enkele afgeba-kende grens meer had.

 

Stefan Hertmans (°1951) kreeg voor zijn romauiuin 'Ruimte' (1981) meteen de prijs voor het beste literaire debuut in Vlaanderen. Met zijn roman 'Naar Merelbeke' (1994) werd hij bekend bij het grote publiek. De “bloedstollende psychologische thriller” Harder dan sneeuw (2004) wordt binnenkort verfilmd door Kadir Balci. In 2013 verscheen het veelgeprezen 'Oorlog en terpentijn', een roman gebaseerd op de (oorlogs)memoires van zijn grootvader. Vorig jaar verscheen de historische roman 'De Bekeerlinge'.

 

STEFAN HERTMANS fragment uit 'Lome rook' uit Verzamelde Verhalen – Nabokov

Toen de in de schemering hangende straatlantaarns vrijwel in unisono aangloeiden, helemaal tot aan de Bayerischer Platz, schoven alle voorwerpen in de onverlichte kamer een stukje op onder de invloed van het schijnsel van buiten, dat allereerst een foto nam van het patroon van de kanten vitrage. Hij lag al een uur of drie ruggelings uitgestrekt (een langbenige jongeman n1et platte borst en een pince-nez die opblonk in het halfduis­ter) afgezien van een kort intermezzo voor het avondmaal, dat in weldadige stilte was verlopen: zijn vader en zuster hadden aan tafel zitten lezen, na hun zoveelste ruzie. Verdoofd door het slepende, vertrouwde drukkende gevoel lag hij door zijn win1-pers rond te kijken, en elke lijn, elke rand of schaduw van een rand veranderde in een zeeëinder of een verre strook land. Zodra zijn ogen gewend waren geraakt aan de werking van de­ze metamorfoses, begonnen ze uit eigen beweging op te treden (zoals kleine steentjes achter de rug van de tovenaar volstrekt zinloos tot leven blijven kon1en), en nu ontstond in deze of ge­ne hoek van het kameruniversum een drogbeeldig perspectief, een verre fata morgana, betoverend in zijn scherp belijnde doorzichtigheid en isolement: een waterspiegel bij voorbeeld, met een zwarte kaap en het nietig silhouet van een araucaria.

Met tussenpozen waren onverstaanbare, korte en bondige klanken hoorbaar uit de salon (het grotachtig pièce de ,nilieu van het karakteristieke bourgeoisappartement dat Russiscl1e e1ni­gré-families toentertijd in Berlijn bewoonden), die van zij11 ka­mer gescheiden was door schuifdeuren waarvan l1et ribbelig matglas geel doorschenen werd door de staande lamp, terwijl iets lager, als in diep water, de donzige donkere rug van een fau­teuil schen1erde, daar neergezet otn de beide deurhelfte11 te weerstreven in hun aangeboren neigii1g hortend en stotend vaneen te schuiven. In die salon (waarschijnlijk op de divan aan het andere eind) zat zijn zuster met haar vriend, en te oordelen naar de mysterieuze stiltes die uitmondden in zacht gehoest of een teder, vragend lachje, was het paar aan het vrijen. Van de straat drongen andere geluiden door: het snorren van een auto spiraalde omhoog als een ijle z1.1il, die op het kruispunt be­kroond werd door een kapiteel van getoeter; of anderson1, l1et getoeter kwam eerst, gevolgd door een naderend geronk waar­mee de rammelende schuifdeuren zo goed mogelijk instemden.

En net zoals de lichtval en elke rimpeling in het water door een kwal worden gefilterd, zo werd zijn innerlijk doorstroomd, en dat gevoel van vloeibaarheid transformeerde zich tot iets als l1elderziendheid. Uitgestrekt op zijn divan voelde hij zich zij­waarts meegevoerd door de stroom van schaduwen, en tegelij­kertijd vergezelde hij verre voetgangers en bracht zich het trot­toiroppervlak pal onder zich voor ogen (1net de alomvattende precisie van de hondenblik), of het patroon van naakte takken tegen ee11 hemel waarin wat laatste kleuren draalden, of de op­eenvolging van winkelramen: een kapperspop die in anatomi­sche wasdom de hartenvrouw nauwelijks overtrof; de etalage van een lijstenmaker met paarse heidelandschappen en de on­vermijdelijke Inconnue de la Seine, zo geliefd in het Reich, om­ringd door vele portretten van president Hindenburg; en daar­na een lanipenkappenzaak met alle lichten brandend, zodat je je onwillekeurig afvroeg welke ervan de daagse lamp van de win­kel zelf was.

Hij lag als een mummie uitgestrekt in het donker, en eens­klaps viel hem in dat het allemaal eigenlijk nogal gênant was -zijn zuster kon denken dat hij niet thuis was, of dat hij hen lag af te luisteren. Maar het was onvoorstelbaar moeilijk om in be­weging te komen; moeilijk, omdat de vorm van zijn wezen geen enkel kenmerk, geen enkele afgebakende grens meer had. Het steegje naast het huis zou bij voorbeeld zijn eigen arm kunnen zijn, en de lange, benige wolk die over de hele hemel reikte, met een rilling van sterren in het oosten, zijn ruggen­graat. Noch de gestreepte duisternis in zijn kamer, noch het glas van de salondeur, omgetoverd in nachtelijke, van gouden deini11g glanzende zeeën, kon hem als betrouwbare maatstaf en begrenzing van zichzelf dienen; die vond hij pas toen zijn ge­voelige tongpunt, zich kronkelend in een plotselinge opwelling van lenigheid (als om in allerijl, nog half slapend, te controleren of alles in orde was, een zacht, niet in zijn mond thuishorend brokje aftastte en eraan begon te wrikken, een flintertje stooflap dat hecht in zijn tand zat verankerd; wat hem deed overpeinzen hoe vaak in zo'n negentien jaar die onzichtbare n1aar tastbare huishouding van tanden al veranderingen had ondergaan, waar de tong aan gewend raakte tot er een vulling losging, een diep gat achterlatend dat dan opnieuw werd gestoffeerd.

Nu voelde hij zich gedrongen om in beweging te komen, niet zozeer door de schaamteloos vrijpostige stilte achter de deur als wel door de aandrang een handig, scherpgepunt instru­mentje te zoeken om de eenzame blinde zwoeger bij te staan. Hij rekte zich, hief zijn hoofd op en knipte de lamp naast de di­van aan, zodat zijn lijfelijke beeld geheel en al werd hersteld. Hij werd zichzelf gewaar (de pince-nez, het iele zwarte snorre­tje, de pukkels op zijn voorhoofd) met de diepe weerzin die hem altijd overviel als hij naar zijn lichaam terugkeerde vanuit die kwijnende mist vol belofte - van wat? Wat voor vorm zou de kracht die zijn geest bedrukte en plaagde, uiteindelijk aannemnen? Waar vond het zijn oorsprong, dit iets dat in mij groeide? Mijn dag was voor het grootste deel net als elke andere geweest - universiteit, openbare bibliotheek - maar later, toen ik hele­maal naar Osipov moest sjouwen om voor vader een boodschap te doen, toen was er dat natte dak van een care aan de rand van een braakliggend terrein, en de rook uit de schoorsteen klamp­te zich aan het dak vast, kroop laag en zwaar van vocht voort, verzadigd, slaperig, en wilde niet opstijgen, wilde zich niet los­maken van het dierbaar bederf, en juist toen was er die sensatie geweest, juist toen.

Onder de burealamp glom een schrift met zeildoeken kaft, en op het inktbevlekte vloeiblad ernaast lag een scheermesje, de gleuven met roest omrand. Het licht bescheen ook een veiligheidsspeld. Hij boog hem open en verwijderde, de nogal dik­doenerige aanwijzingen van zijn tong volgend, het reepje vlees, en slikte het door - beter dan zoetigheid.; waarna het orgaan, te­vreden gesteld, weer tot rust kwam.

Opeens werd van buitenaf de hand van een zeemeermin op het ribbelglas gelegd; de schuifdeur ging horte11d open en zijn zuster stak haar wilde haardos naar binnen.

'Grisja, lieverd,' zei ze, 'wees eens een engel en vraag vader wat sigaretten.'

Hij reageerde niet, en ze kneep de blinkende spleetjes van haar donzige ogen toe (ze zag heel slecht zonder haar schild­padbril) om te zien of l1ij wel of niet op de divan lag te slapen.

'Haal je ze, Grisjenka,' herhaalde ze nog smeken der. 'O, alsjeblieft! Ik wil hem niet zien, na gisteren.'

'Ik misschien ook wel niet,' zei hij. 'Vooruit, vlug dan,' zei zijn zuster teder. 'Toe dan, lieve Grisja.'

'Goed, schei maar uit,' zei hij ten slotte, en ze loste weer op in het glas, zorgvuldig de twee deurhelften herenigend.

 

 

 

Opnieuw nam hij zijn verlicht eiland in ogenschouw, zich hoopvol herinnerend dat hij ergens een pakje sigaretten had opgeborgen, op een avond door een vriend vergeten. De blin­kende veiligheidsspeld was verdwenen, en het schrift lag nu an­ders, halfopen (zoals iemand in zijn slaap van houding veran­dert). Tussen mijn boeken misschien. Het licht reikte net tot hun ruggen op de planken boven liet bureau. Er stond lukrake rommel (merendeels), een rijtje handboeken over economie (ik wilde iets heel anders, maar vader won het pleit); en een paar dierbare boeken die in deze of gene tijd tot zijn hart hadden gesproken: Goemiljovs dichtbundel Sjatjor (De tent), Pasternaks Sestra rnoja zjizn (Leven, mijn zuster), Gazdanovs Wetsjer oe Kier (Een avond bij Claire), Radiguets Le bal du cornte d'Orgel, Sirins Zasjita Loezjina (Loezjins verdediging), Ilf en Petrovs Dwenadtsat Stoeljev (De tt.vaa!f stoelen), Hoffinann, Hölderlin, Baratynsk.i, en een oude Russische reisgids. Weer die nulde, mysterieuze schok. Hij spitste de oren. Zou de sensatie zich herhalen? Zijn geest was tot het uiterste gespannen, het logisch denken stag­neerde, en toen hij uit zijn trance ontwaakte, kon hij zich niet onmiddellijk herinneren wat hij zocht tussen de boeken op de plank. !-Iet blauw-witte pakje dat hij tussen Professor Sombart en Dostojevski had gestoken, bleek leeg. Goed, hij moest wel, er was geen_ ontkon1en aan. Maar er was 110g een mogelijk11eid.

In zijn afgetrapte pantoffels en slobberige broek ging hij loom, haast geluidloos sloffend, van zijn kamer naar de hall, en tastte naar het lichtknopje. Op de console onder de spiegel was naast de modieuze beige pet van de bezoeker een verfrom1neld stuk zacht papier blijven liggen: de verpakking van verloste ro­zen. Hij wroette in zijn vaders overjas, met angstvallige vingers binnendringend in de zielloze wereld van een vreemde jaszak, maar vond er niet het extra pakje waarop hij, zijn vaders voor­zienige degelijkheid indachtig, had gehoopt. Niets aan te doen, ik moet naar hem toe.

En hier, dat wil zeggen op een onbestemd punt van zijn slaapwandelende tocht, stapte hij weer een mistbank binnen, en dit keer was de hernieuwde vibratie in hem zo krachtig en bo­venal zoveel levendiger dan alle uiterlijke gewaarwordingen, dat hij in de jonge1nan met opgetrokken schouders, bleke, onge­schoren wangen en één rood oor, die geluidloos langsgleed in de spiegel niet onmiddellijk zijn eigen vorm en voorkomen herkende. Hij haalde zichzelf in en stapte de eetkamer binnen.

Daar, aan de tafel die het dienstmeisje lang tevoren, voor ze naar bed ging, voor de avondthee had gedekt, zat zijn vader: zijn ene vinger krabde in zijn zwarte, grijs doorschoten baard; duim en wijsvinger van de andere hand hielden een pince-nez bij de verende net1sklemmen in de h..1cht geheven; hij zat een grote, in de vouwen erbarmelijk versleten kaart van Berlijn te bestude­ren. Een paar dagen tevoren was er bij vrienden thuis een vurj­ge, typisch Russische discussie ontbrand over de kortste weg van een bepaalde straat naar een andere, die trouwens geen van beide ooit door de opponenten werden gefrequenteerd; en nu bleek, te oordelen naar de onaangenaam verraste uitdrukking op zijn vaders voorover gebogen gezicht, waarop ter weerszijden van zijn neus twee roze achtjes stonden geprent, dat de ou­de man ongelijk had gehad.

'Wat is er?' vroeg hij, opkijkend naar zijn zoon (wie weet heimelijk hopend dat ik zou gaan zitten, de theepot van haar muts ontdoen, een kopje voor hem en voor mezelf inschen­ken). 'Sigaretten?' vervolgde hij op dezelfde vragende toon, toen hij zag waarop de starende blik van zijn zoon was gericht; deze maakte aanstalten om achter zijn vader langs te lopen naar het andere eind van de tafel waar de doos stond, maar zijn vader reikte die hem al aan over de tafel heen, zodat er een kortston­dige verwarring heerste.

'Is hij weg?' volgde de derde vraag.

'Nee,' zei de zoon, een zijdezachte handvol sigaretten uit de doos pakkend.

Terwijl hij de eetkamer uit liep, zag hij hoe zijn vader zich met zijn hele torso in de stoel omwendde om de muurklok aan te kijken als had die iets gezegd, en toen weer terug begon te draaien - maar op dat punt ging de deur die ik dichtdeed dicht, en ik zag dat stukje niet tot het eind. Ik zag het niet tot het eind, ik had andere dingen aan mijn hoofd, maar toch hielp ook dat, net als de verre zeeën van zoëven, het verhitte gezichtje van mijn zuster, en het vage gedruis aan de ronde zoom van de doorzichtige avond - hielp alles op de een of andere manier mee aan het ontstaan van wat nu eindelijk vorm had gekregen. Met schrikwekkende helderheid, als werd mijn ziel verlicht door een geluidloze explosie, flitste een toekomstig herinne­ringsbeeld voor me op; het drong tot me door dat ik, precies zoals ik me beelden uit het verleden kon herinneren - hoe wij­len mijn moeder aan tafel een huilgezicht trok en naar haar sla­pen greep als het gekibbel te luidruchtig werd- me ooit in een genadeloos, onherstelbaar scherp beeld de gekwetste uitdruk­king van mijn vaders schouders zou moeten heugen waarmee hij over die gescheurde kaart geboger1 zat, somber, in zijn war­me huisjasje bestoven met as en roos; en dat alles versmolt vri1chtbaar niet het verse beeld van blauwe rook verkleefd aan de rotte bladeren op een nat dak.

Door een kier tussen de schuifdeuren namen ongeziene, gre­tige vingers aan wat hij ze voorhield, en nu lag hij weer op zijn divan, maar l1et kwijnende van daarstraks was verdwenen. Im­mens en vol leven strekte en kron1de zich een metrische versre­gel; in de bocht straalde vurig en verrukkend een rijm op, en terwijl het aangloeide verscheen er, als een schaduw op de muur wanneer je met een kaars in de hand de trap op gaat, het beweeglijk silhouet van een tweede regel.

Dronken van de Italiaans-zangerige Russische alliteraties, ha­kend naar leven, de nieuwe bekoring van verouderde woorden (het moderne bereg teruggebracht tot breg, een verdere 'kust', cholod tot chlad, een klassiekere 'rilling', weter tot wetr, een betere Boreas), onrijpe, snel vergane verzen die, als de volgende in druk verschenen, al even zeker verwelkt zouden zijn als de een na de ander alle vorige waren verwelkt, neergeschreven in het zwarte schrift; n1aar het maakt niet uit: nu, op dit ene moment, vertrouw ik in de hemelse beloften van de nog ademende, nog wervelende regels; mijn gezicht is nat van tranen, mijn hart zwelt van geluk, en ik weet dat niets ter wereld zo grandioos is als dit geluk.

 

terug naar boven

20/07