22/07

 

Mia Doornaert

Multatuli - Max Havelaar

 

Korte toelichting bij het fragment:


Hoofden van Lebak,

(Maar) Als er soms onder ons mochten zijn, die hun plicht verwaarlozen voor gewin, die het recht verkopen voor geld, of die de buffel van de arme nemen, en de vruchten die behoren aan wie honger hebben ... wie zal ze straffen? 

Als een van u het wist, hij zou 't beletten. En de regent zou niet dulden dat zoiets geschiedde in zijn regentschap. En ook ik zal het tegengaan waar ik kan. Maar als noch gij, noch de Adipati, noch ik het wisten ... Hoofden van Lebak! Wie toch zal dan recht doen in Banten- Kidoel? 

Hoort naar mij, als ik u zeggen zal hoe er dan recht zal gedaan worden. Er komt een tijd dat onze vrouwen en kinderen schreien zullen bij het gereedmaken van ons doodskleed, en de voorbijganger zal zeggen: ``Daar is een mens gestorven.'' Dan zal wie aankomt in de dorpen, tijding brengen van de dood desgenen die gestorven is, en wie hem herbergt, zal vragen: ``Wie was de man die gestorven is?'' En men zal zeggen: 

``Hij was goed en rechtvaardig. Hij sprak recht en verstootte de klager niet van zijn deur. Hij hoorde geduldig aan, wie tot hem kwam, en gaf weder wat ontnomen was. En wie de ploeg niet drijven kon door de grond omdat de buffel uit de stal was gehaald, hielp hij zoeken naar de buffel. En waar de dochter was geroofd uit het huis der moeder, zocht hij de dief en bracht de dochter weder. En waar men gearbeid had onthield hij het loon niet, en hij ontnam de vruchten niet aan wie de boom geplant hadden. Hij kleedde zich niet met het kleed dat anderen dekken moest, noch voedde zich met het voedsel dat de arme behoorde.'' 

Dan zal men zeggen in de dorpen. ``Allah is groot, Allah heeft hem tot zich genomen. Zijn wil geschiede ... er is een goed mens gestorven.'' 

Doch andermaal zal de voorbijganger stilstaan voor een huis, en vragen: ``Wat is dit, dat de gamelan zwijgt, en het gezang der meisjes?'' En wederom zal men zeggen: ``Er is een man gestorven.'' 

En wie rondreist in de dorpen, zal 's avonds zitten bij zijn gastheer, en om hem heen de zonen en dochteren van het huis, en de kinderen van wie het dorp bewonen, en hij zal zeggen: 

``Daar stierf een man die beloofde rechtvaardig te zijn, en hij verkocht het recht aan wie hem geld gaf. Hij mestte zijn akker met het zweet van de arbeider die hij had afgeroepen van de akker des arbeids. Hij onthield de werkman zijn loon, en voedde zich met het voedsel van de arme. Hij is rijk geworden van de armoede der anderen. Hij had veel gouds en zilvers en edele stenen in menigte, doch de landbouwer die in de nabuurschap woont, wist de honger niet te stillen van zijn kind. Hij glimlachte als een gelukkig mens, maar men hoorde gekners tussen de tanden van de klager die recht zocht. Er was tevredenheid op zijn gelaat, maar geen zog in de borsten der moeders die zoogden.'' 

Dan zullen de bewoners der dorpen zeggen: ``Allah is groot ... wij vloeken niemand!'' 

Hoofden van Lebak, eens sterven wij allen! 

Wat zal er gezegd worden in de dorpen waar wij gezag hadden? En wàt door de voorbijgangers die de begrafenis aanschouwen? 

En wat zullen wij antwoorden, als er na onze dood een stem spreekt tot onze ziel, en vraagt: ``Waarom is er geween in de velden, en waarom verbergen zich de jongelingen? Wie nam de oogst uit de schuren, en uit de stallen de buffel die het veld ploegen zou? Wat hebt gij gedaan met de broeder die ik u gaf te bewaken? Waarom is de arme treurig en vloekt de vruchtbaarheid zijner vrouw?''' 

Hier hield Havelaar weer op, en na enig zwijgen ging hij op de eenvoudigste toon van de wereld, en als had er volstrekt niets plaats gehad dat indruk maken moest, voort: 
(...)

`Welnu dan, mijne heren hoofden van Banten-Kidoel, laat ons verheugd zijn dat onze Afdeling zo verachterd en zo arm is. Wij hebben iets schoons te doen. Als Allah ons in 't leven spaart, zullen wij zorg dragen dat er welvaart kome.’